Hoe Monsanto mijn dichterlijke gevoelens wakkerroept

1. Een episch geval

Echt bewonderenswaardig is dit artikel. Zing mij, o muze, van de perfect uitgevoerde drogredenering!

Naar tegenwoordige maatstaven is het al een zeer oud artikel, maar wat het ons kan leren is des te actueler.

Natuurlijk is het een beetje zoals bij een goocheltruc. Je kan over een truc en zijn geheim lezen en je een begrip vormen van zijn effect, maar om echt in te schatten hoe verrassend het effect is, gaat er niets boven de truc ondergaan voordat je weet wat het geheim is. Zo zou je ook eigenlijk zelf eerst het artikel moeten lezen en je helemaal laten meevoeren door de misleidende teneur, alvorens mijn commentaar te lezen. Dat is, als je echt het effect in zijn volheid wil ervaren. Maar het is geen voorwaarde om deze commentaar te begrijpen.

Wat het artikel schijnbaar doet is een genuanceerd beeld geven van de zaak rond Árpád Pusztai, de onderzoeker die in 1998 op basis van wetenschappelijke proeven beweerde dat hij kon aantonen dat GGO’s schadelijk voor menselijke consumptie waren, en om deze bewering nu nog te pas en te onpas wordt geciteerd.

De indruk die men krijgt bij het lezen van het artikel kan men ongeveer zo samenvatten

  • het lijkt een onbevooroordeelde beschrijving
  • er wordt duidelijk uitgelegd wat de inzet van de ene groep wetenschappers is (ggo’s zouden gevaarlijk kunnen zijn) en wat de inzet van de andere groep wetenschappers is (misschien is het onderzoek niet juist uitgevoerd)
  • het verloop van de discussie wordt beschreven, heel interessant
  • eigenlijk staat de tweede groep van wetenschappers toch sterker, d.w.z. het zal wel inderdaad het geval zijn dat het experiment niet juist uitgevoerd is
  • het is aangenaam om voor de verandering eens een genuanceerde tekst te lezen over het thema ggo’s

Men is echter op een wonderbaarlijk effectieve manier op het verkeerde been gezet. De reden waarom men als lezer de indruk heeft gekregen dat het ene kamp wat meer gelijk heeft dan het andere is op niets dan een argumentum ad hominem gebaseerd. Er wordt simpelweg gesuggerreerd dat de wetenschappers die geloven dat ggo’s gevaarlijk zouden kunnen zijn minder goede wetenschappers zijn. Zeer geslaagd is dat bewerkstelligd door op enkele plaatsen het woord ‘expert’ tussen aanhalingstekens te zetten. Maar verder wordt er nauwelijks een reden gegeven waarom het om een inferieure groep van wetenschappers zou gaan. Er wordt alleen gezegd dat het wetenschappers zijn die overwegend uit het buitenland komen.

De lezer krijgt het gevoel dat hij een genuanceerde tekst heeft gelezen (want voor de verandering zijn er argumenten van beide zijden aan bod gekomen), dat het over inhoudelijke argumenten is gegaan (want het hele verloop van de discussie wordt verhaald, zij het zonder de harde data van het onderoek) en dat de conclusie dus juist moet zijn dat de tegenstanders van de ggo’s niet genoeg argumenten hebben om hun punt hard te maken (als gevolg van het ad hominem-argument).

De drogreden is immers zo perfect uitgevoerd! Ik heb een paar keer willen zeggen dat het een geraffineerde drogreden is, maar dat is het zelfs niet. De aanhalingstekens staan daar open en bloot, geheel volgens de regels der goochelkunst. Elke goede goochelaar weet immers dat teveel raffinement nefast kan zijn omdat het de aandacht vestigt op wat men probeert te verbergen. Wil je voor je aan een kaarttruc begint weten welke kaart de vierdeonderste is, dan is het het best om gewoon ongedwongen de kaarten te bekijken. Je kan eventueel altijd nog een excuus maken als iemand zich daar vragen bij stelt. “O, ik wilde gewoon nakijken of de jokers er uit zijn.” Er zijn technieken om zonder dat iemand het merkt de vierdeonderste kaart te spieken of om een bekende kaart naar de vierdeonderste plaats te manouvreren, maar de eerste regel is dat het ongedwongen moet lijken, en dat je altijd de aandacht afleidt naar andere dingen. Zo ook in het onderhavige geval: de aanhalingstekens staan in het volle zicht en de aandacht wordt afgeleid door de schijnbaar zeer genuanceerde toon van het artikel. Het valt bij een eerste lezing niemand op dat er werkelijk geen enkele reden gegeven wordt waarom het ene kamp het meer bij het rechte eind heeft dan het andere. Behalve de aanhalingstekens. Zij brengen het voor elkaar.

——-

2. Een dramatisch geval

Maar denk ik dat de wetenschappers zullen kunnen aantonen dat GGO’s onveilig zijn? Ja en nee.

Om dat uit te leggen moet ik een onderscheid maken tussen twee types van wetenschap. Ik wil het echter niet gedetailleerd uitleggen, ik wil het alleen aanduiden, dus ik introduceer het onderscheid zonder veel onderbouwing.

Aan de ene kant heb je de wetenschap zoals die nu leeft in de voorstellingen van veel mensen. Aan de andere kant de wetenschap die revolutionaire ontdekkingen doet.

De eerste wetenschap heeft een kader dat waarin alles duidelijk is. Het telkens duidelijk aan een onderzoek wat de meest relevante gegevens zijn, waaraan het meeste gewicht moet toegekend worden. Deze wetenschap heeft ook een wetenschapsfilosofische onderbouwing die grotendeels zegt: “we gaan in de juiste richting.”

De tweede wetenschap is diegene die telkens ontdekt dat het kader gesprengd moet worden. Bijvoorbeeld: we merken dat de energiewaarde van onze voeding blijkbaar niet het enige belangrijke aspect is, en dat er ook iets als de vitamine moet zijn. Die heeft echter geen plaats in ons systeem. We moeten het systeem, het kader zelf, veranderen. Op basis van de op een eerder tijdstip relevante gegevens zie je niet dat vitamines als verklaring geïntroduceerd moeten worden. Ze zijn op dat tijdstip niet relevant, maar je moet er gewicht aan verlenen dat er voordien niet aan verleend is, en dan blijken ze relevant. Is het onwetenschappelijk? Nee. Het is eigen aan de wetenschap om zijn kader te overstijgen. De wetenschappelijke onderbouwing van deze wetenschap is de andere wetenschappelijke traditie (Popper, Van Fraassen, naast vele anderen)

Binnen de eerste wetenschap zal men volgens mij niet tot de conclusie komen dat GGO’s in het algemeen slecht zijn. Want ik geloof dat het mogelijk is GGO’s te ontwerpen die binnen de consumptieveiligheidsgrenzen vallen die deze wetenschap moet opstellen. De situatie met betrekking tot consumptie is hier niet anders dan bij additieven of medicijnen. Op het moment dat men zou ontdekken dat GGO’s onveilig zijn voor consumptie, zou men tegelijk ontdekken dat bepaalde medicijnen en additieven onveilig zijn.

Dit ontdekken is een taak die alleen de eerste wetenschap kan toevallen, niet de eerste. Het kader sprengen, het relevant maken van dingen die dit eerst niet zijn, het aannemen van een wijdere blik. Volhardt men zijn blik te beperken tot de al dan niet giftigheid van chemische stoffen, en de consumptie ervan, dan zal men niets nieuws ontdekken.

Wil dit zeggen dat je GGO’s gerust kan toelaten? Nee, want de grote bedrijven hebben ruimschoots getoond dat je het niet aan hen kan overlaten. De eerste wetenschap heeft hier een duidelijke functie, ookal is ze dan eenzijdig. Ze beperkt het ongelimiteerde van Monsanto & co.

Toch is de zaak nog ingewikkelder. Beschouw de manier waarop de wetenschappers die tegen GGO’s opgetreden zijn, Pusztai, Séralini en de anderen, een plaats innemen binnen het algehele web tussen wetenschap, maatschappij en industrie.

Het zijn wetenschappers die hun plaats kiezen binnen de eerste wetenschap. Deze eerste wetenschap geeft hen ongelijk, maar ze voorziet wel uitdrukkelijk een plaats voor hen. Ze vindt dat er een plaats moet zijn voor afwijkende meningen. Immers, individuele onderzoeksresultaten kunnen fout zijn. Op elk moment kan er iets als wetenschappelijk waar beschouwd worden, dat pas later door nieuw onderzoek weerlegd wordt. Het geldt dan korte tijd als waar, vanuit een groter perspectief is het duidelijk dat het al die tijd onwaar geweest is. Dergelijke overwegingen zijn thuis in de wetenschapsfilosofie, het corpus dat ook de eerste wetenschap heeft om zichzelf te onderbouwen en te legitimeren. Kunnen individuele wetenschappelijke resultaten fout zijn? Ja. Daarom moet er een levendig debat zijn, moeten alle afwijkende meningen een kans krijgen om gehoord te worden en hun merites te kunnen bewijzen.

Het beste argument om vertrouwen te hebben in dit omgaan met normbevestigende en afwijkende meningen, is dat het altijd gewerkt heeft. Iedereen die de geschiedenis van de wetenschap bestudeerd heeft weet dat dat een van de meest in het oog springende feiten is.

Alleen werkt het in de kwestie rond de GGO’s uitzonderlijk niet. Tijdelijk of permanent, het debat dat in feite gevoerd wordt geschiedt hoogstens in schijn op het niveau waar bijvoorbeeld het debat rond vitamines gevoerd werd, het niveau waarop er aan de dingen zelf geraakt wordt.

De grote vraag is dan: hoe kan iets tegelijkertijd altijd werken en uitzonderlijk niet werken? Opnieuw, ik wil het hier niet gedetailleerd en onderbouwd uitleggen. Het is niet meer dan een schets van een interpretatiemodel als ik zeg dat het iets te maken heeft met de manier waarop de legitimatie van de eerste wetenschap hier in elkaar zit. Men beroept zich op “het is altijd goed gegaan zo.” Dat kan, zodra de scherpte waarmee men deze legitimatie en alles wat erbij hoort een klein beetje vermindert, gemakkelijk verworden tot: “we zijn zo of zo goed bezig.” Namelijk als het criterium verdwijnt, het besef van de functie die de afwijkende meningen spelen. Die functie is er alleen als ze beoordeeld worden naar hun lading en niet naar hun vlag. Maar dat is een van de dingen die je ziet gebeuren in het GGO-debat: het criterium is nog aanwezig, maar slechts in lege verwijzingen naar legitimatieprincipes, niet in een echt beoordelen naar de inhoud.

Men zou het ook zo kunnen zeggen: de wetenschapsfilosofie die de eerste wetenschap fundeert en legitimeert, heeft – in theorie, namelijk als ze Popper en Van Fraassen in het achterhoofd heeft – veel van de tweede wetenschap in zich. Het is daarom dat de theorie min of meer klopt. Als het zo is dat de beide soorten wetenschap fungeren als twee stromen die aan één bron ontspringen en dat ze zich op deze oorspronkelijke eenheid beroepen, dan werkt het inderdaad. Er is dan een dudielijk criterium. Maar in de praktijk beroept de eerste wetenschap zich soms op zichzelf alleen. “Het is altijd goed gegaan zo,” zegt ze, maar ze heeft daarbij alleen zichzelf op het oog, niet de oorspronkelijke eenheid.

Deze vereenzijdiging wordt in de hand gewerkt door het tegenwoordige enthousiasme voor waarheden die emergeren uit de massa. De eerste wetenschap schijnt goed aan te sluiten op dit enthousiasme. Alleen al aan de bijzondere manier waarop de gedachten van bijvoorbeeld Dawkins circuleren op allerlei internetfora en blogs is dat duidelijk te observeren. Het soort van emergente waarheid waarover ik spreek wordt beschouwd als nieuw en naar de toekomst wijzend. Maar er is helemaal niets nieuws aan. Het is gewoon het oude spel dat een beetje sneller gespeeld wordt, en waarbij de winnaars noch de verliezers nog kunnen zeggen dat ze op een bepaald moment een argument gewonnen of verloren hebben op een inhoudelijke manier. (Dit laatste is geen eigen gedachte, maar ontleen ik aan het artikel ‘Die Piraten kommen’ van Jakob Grünzweig in Das Goetheanum van 5 mei 2012.)

Nu, ik heb in het bovenstaande vaak gesproken vanuit een niet verder onderbouwde interpretatie van de werkelijkheid. De lezers die tot hier gelezen hebben zullen zich wel afvragen waar het allemaal toe gediend heeft. Beste lezers, wat ik eigenlijk wou schilderen was een geval dat mijn dichterlijke gevoelens even zeer aanspreekt als het geval in het eerste deel van deze blogpost, hier echter geen episch geval maar een dramatisch.

Ik zou, als ik een tragedie wou schrijven, als hoofdpersoon een van de onderzoekers nemen die in het nieuws komen als tegenstanders van GGO’s.

Zij voelen bepaalde dingen aan. Bijvoorbeeld het enorme verschil tussen een additief dat volgens wetenschappelijke normen als (tamelijk) niet-giftig beschouwd wordt, en een hoofdvoedsel als tarwe of aardappel dat volgens wetenschappelijke normen als (tamelijk) niet-giftig beschouwd wordt. Misschien maakt het in het laboratorium geen verschil welke plant binnen of buiten de vastgestelde consumptiegrenzen valt, maar in het dieet van de mensen maakt het een groot verschil. Zij doorzien de machinaties van de grote bedrijven en – dat is het eerste tragische – zij hebben gelijk dat de grote bedrijven gigantisch achterbaks zijn.

Ze hebben ook vertrouwen in de wetenschap, en terecht. Maar hoe laten ze hun kritiek hoorbaar worden? Door aan de eerste wetenschap te doen en op de plaats te gaan staan die deze eerste wetenschap expliciet voor hen voorziet. Dat is het tweede tragische, en het echt fatale, dat aan een Grieks drama herinnert. Ze trappen in de val van hun mening kracht bij te willen zetten op de manier die door de maatschappij gesuggereerd wordt, dus door minder op de inhoud te focussen dan op de duidelijke boodschap. Dus de onderzoeken worden iets onnauwkeuriger, er komen grote foto’s van misvormde ratten, er komt een anti-GGO-lobbycampagne en woorden als frankenfood worden geïntroduceerd. Al gauw worden er velden vernield en zoekt men op alle manieren media-aandacht. Maar het enige wat de vertegenwoordigers van de pro-GGO-lobby hoeven te doen is zeggen dat ze zo graag een inhoudelijke dialoog willen en dat bijvoorbeeld het vernielen van een veldproef niet thuishoort in een democratie (alsof het van democratie getuigt wanneer er in de supermarkt plots van alledaagse voedingswaren geen merk zonder GGO’s meer beschikbaar is, en ik mij daar dan maar moet aan aanpassen). Ze mogen dat zeggen. De wetenschap heeft immers een manier om om te gaan met afwijkende meningen die in de regel goed werkt.

Toch blijkt dat de wetenschap met twee maten meet. De beoordeling van een onderzoek is verschillend als het met de stroom meegaat of als het tegen de tsroom ingaat. Een wetenschapper pro een bepaalde zaak die met de norm overeenstemt mag een beetje creatief zijn bij het selecteren van zijn experimentele resultaten, een wetenschapper contra dezelfde zaak niet. Dat is normaal, maar het is nog een extra hindernis voor de wetenschapper die een zaak wil verdedigen die afwijkt van de norm. Desondanks speelt hij het spelletje mee en heeft hij soms de verwachting dat zijn onderzoek aan een evenwaardige beoordeling zal onderworpen worden als het onderzoek van zijn collega die met de stroom meezwemt. alsof de inhoud van beide onderzoeken even onbevooroordeeld gelezen wordt. Dat is het derde tragische.

Bij dit alles gaan de onderzoekers die proberen te vinden dat GGO’s ongeschikt zijn voor menselijke consumptie niet de resultaten vinden die ze zoeken. Want in de eerste wetenschap zijn deze niet te vinden. Ze zijn alleen in de tweede wetenschap te vinden. Daarmee is het tragische element compleet.

Wat ik eigenlijk wou uitleggen is wat voor een tragedie ik graag zou willen schrijven, meer precies de fatale tendenzen die de acties van mijn personages zouden beheersen. Voelt men zijn borst niet zwellen? De onderbouwing moest niet uitgewerkt worden, alleen aangeduid om het juist te begrijpen. Want in het drama zou ze ook niet uitgewerkt worden. Het zou er alleen over gaan hoe alle personages stap voor stap hun onvermijdelijke ondergang tegemoetgaan.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s