Nog meer losse ideeën over politiek en economie

Idee nr. 6

Nog over het thema werk. Een van de standaardargumenten voor het invoeren van het basisinkomen is het volgende verhaaltje.

Stel, er is een afgelegen dorp met honderd werkbekwame inwoners. Er is toevallig ook werk voor honderd mensen in het dorp. Iedereen is gelukkig en kan in zijn levensonderhoud voorzien. Nu worden er op een bepaald moment machines ingevoerd. Er is nog steeds evenveel werk dat gedaan moet worden opdat in ieders levensonderhoud voorzien is, maar het werk kan nu door vijfenzeventig mensen gedaan worden. De machines zorgen voor efficiëntere productie van eten, kleren, bouwmaterialen enzoverder. Hoe zal nu het werk verdeeld worden? Een mogelijkheid is natuurlijk het zo in te richten dat iedereen nog maar voor vijfenzeventig procent werkt. Een andere mogelijkheid is het zo in te richten dat nog maar driekwart van de mensen werken, met als gevolg dat het overblijvende kwart geen werk en dus geen loon heeft. De eerste optie is wat de verdedigers van het basisinkomen willen. De tweede optie is onze maatschappij zoals ze nu is, zonder het basisinkomen en met alle problemen die veroorzaakt worden door het toch willen vasthouden aan de bestaande koppeling van werk en verloning.

Ik heb het verhaaltje natuurlijk erg kort samengevat. Ik vind het overigens een goed verhaaltje. Ik vind alleen dat het slechts een illustratie kan zijn. Je moet al openstaan voor de idee van het basisinkomen, die in de praktijk toch vaak blijkt in te druisen tegen diepgewortelde overtuigingen – en dan kan het verhaaltje de zaak verduidelijken. Maar het is eigenlijk niet het argument zelf.

Hoe dan ook, ik bedacht me dat het interessant is om er ook eens de omgekeerde situatie naast te leggen. Die is namelijk even illustratief. Dus als volgt.

Stel, er is een afgelegen dorp met honderd werkbekwame inwoners en er is werk voor honderd mensen. Nu gebeurt het dat er vijfentwintig van de honderd plots gehandicapt worden. Er is nog steeds evenveel werk dat gedaan moet worden opdat in ieders levensonderhoud voorzien is, maar het werk moet gedaan worden door vijfenzeventig procent van de mensen. Eén mogelijkheid om dit te organiseren is dat iedereen van de nog werkbekwame mensen in gelijke mate harder gaat werken en spaarzamer gaat leven. Een andere mogelijkheid is dat een kwart van het werk niet meer gedaan wordt. Wel nog een bakker, maar geen schoenmaker meer. Het eerste geval is hier wel het geval dat we ons spontaan voorstellen (in het eerste verhaaltje was dat niet zo). Het tweede geval is wat er zou gebeuren als het dorp per se zou willen blijven vasthouden aan de bestaande koppeling van werk en verloning.

Dat is meteen een eerste observatie. Door de zaak om te keren, veranderen de intuïties en reflexen. In het scenario met de machines zijn we misschien geneigd te denken: “Mijn gezond verstand zegt dat mensen hun loon moeten verdienen.” Het economische verstaan geeft hier voor het “gezond verstand” de doorslag. In het scenario met de gehandicapten is de neiging misschien eerder: “Mijn gezond verstand zegt er moet gezorgd worden voor de gehandicapten.” Het economische verschuift naar de tweede plaats.

Daarin ligt al de tweede observatie. Door de zaak om te keren zie je dat het hier eigenlijk gaat om twee dimensies. De ene is de economische, de andere is degene waarin het gaat over rechten en plichten. In het geval van de gehandicapten zie je duidelijk wat de verhouding is tussen de twee dimensies. Namelijk: een economische overweging (bijvoorbeeld “men moet zijn loon verdienen”) kan terecht of onterecht kan zijn, maar dat maakt voor de andere dimensie niets uit. Het belang van het feit dat de gehandicapten niet aan hun lot overgelaten kunnen worden, wordt niet ingeperkt door een economisch principe, net zomin als omgekeerd. Het zijn gewoon twee dimensies. Welnu, dit observeren aan het scenario met de gehandicapten, kan een hulp en een aanleiding zijn om het ook te observeren in het scenario met de machines.

——-

Idee nr. 7

Hoe je iets moet beoordelen kan soms afhangen van de tijd waarin het daar is. Wat je nu zou inschatten als goed, als groot, als boven, zou je in het verleden of in de toekomst misschien moeten inschatten als slecht, klein of onder. Dat klinkt abstract, of erger zelfs, haast heideggeriaans in zijn taalgebruik – maar het is een gedachte waar ik soms met ploste klaarheid door getroffen word. Ik passeer bijvoorbeeld elke dag door het stadspark en zie daar de laatste weken vaak een zwerm duiven gewoon op het modderige gras zitten. Op een keer dacht ik: misschien is dit wel een spannend en exotisch zicht, als ik me even verplaats in de situatie van iemand uit het jaar 3000, en de duiven met die bril bekijk. Zo’n gigantische, vliegende dieren, midden in de stad, in het wild! En ik voelde mij even als de eilandbewoner uit vervlogen tijden die het zicht van dodo’s overal om zich heen de gewoonste zaak van de wereld vond.

Of soms sta ik stil bij het feit dat men in het middelbaar een aanzienlijke tijd deel van het curriculum moet spenderen aan de tweede wereldoorlog, en dat een van de dingen die daarbij altijd verteld worden is: “de volgende generaties moeten toch gewaarschuwd zijn voor de gevaren van bewegingen als het nazisme.” Maar het nazisme was toen een legitieme, misschien wel toonaangevende beweging, en kon alleen daardoor de werking uitoefenen die het uitoefende. Men zou de huidige en komende generaties dus moeten waarschuwen voor de gevaren van de heersende bewegingen, stromingen en partijen. Bijvoorbeeld de gevaren van het neoliberalisme, of van het vegetarisme, of van het postmodernisme. Men zou moeten optreden en waarschuwen tegen iets wat brede lagen van de samenleving en dus ook van het sociale weefsel rond de school zonder meer als zinvol en geldig beschouwd wordt. Dat is natuurlijk even onmogelijk als in de jaren dertig in Duitsland een waarschuwing tegen de gevaren van het nazisme op het curriculum hebben staan.

De inleiding is wat overdreven lang voor de vraag die ik wil stellen, namelijk deze: wat is de vorm van staken die voor onze tijd de juiste zou zijn?

Het tijdperk van de opkomende industrie en de bijbehorende sociale misstanden is afgelost door het tijdperk dat we nu meemaken en dat er toch heel wat anders uitziet. Maar door wat moet het staken, dat immers vooral bij dat vroegere tijdperk paste, worden afgelost?

Het is een vraag waar ik al enige tijd mee rondloop, maar ik heb nog geen bevredigend antwoord gevonden.

Eén idee waar ik mee gespeeld heb is een soort van gemoderniseerde variant van de boycot. Als er nu eens een vorm van boycot zou kunnen zijn tegen alles wat ontsproten is aan de huidige economie overal waar die eigenlijk een decadent geworden economie is. Dus geen boycot tegen een land of een politieke idee, maar tegen datgene waar we het meest in zitten zonder er zelf voor gekozen te hebben, zonder eraan te kunnen ontsnappen. En ook niet individu per individu, zoals het op veel plaatsen wel gebeurt (“ik doe niet meer mee aan de wegwerpmaatschappij!”) Maar georganiseerd zoals ook het staken georganiseerd is. Wat ik beschrijf is natuurlijk moeilijk voor te stellen in het algemeen. Maar een concreet en makkelijker voor te stellen voorbeeld is bijvoorbeeld een grootschalige boycot tegen computerprogramma’s, websites en andere ICT-functionaliteiten die een aankruisvakje hebben dat iedereen zomaar aanklikt, daarmee te kennen gevend dat hij akkoord is met de voorwaarden van de producent. Simpelweg niet meer akkoord zijn met de voorwaarden, zelfs al moet men erbij nemen dat men dan misschien geen google en microsoft meer heeft.

Een ander idee waar ik mee gespeeld heb sinds de crisis in Griekenland, is dat de bevolking een soort omgekeerde staking zou kunnen doen. Men zit gevangen in een wirwar van niveaus boven zich die allemaal het dagdagelijkse leven willen organiseren: de Griekse regering, de europese, de verschillende overgangscomissies, de ratingbureaus moet ik waarschijnlijk ook vermelden. Een omgekeerde staking zou zijn, schematisch, dat de lokale producenten en de lokale kopers elkaar vinden en dat men lokaal begint te handelen op de efficiëntste manier. Het protest tegen alle bemoeienissen van overheden zou dan niet zijn het stilleggen van de productie (zoals bij de traditionele staking), maar juist het verhogen van de productie en de consumptie, terwijl men de reguleringen die van overheidswege verlangd worden naast zich neerlegt.

Geen van beide ideeën bevredigt me echt, maar ik blijf over de vraag nadenken.

——-

Idee nr. 8

Zomaar het standpunt verdedigen dat werk hebben nooit neutraal is (idee nr 5) heeft me toch aan het denken gezet. Ik werd wantrouwig jegens dat standpunt, en begon te vermoeden dat het ook eenzijdig moest zijn.

Is het niet inderdaad zo dat werk, in het algemeen en niet verder gekwalificeerd, een positief iets is voor de mens? Goede redenen om dat te denken heb ik niet zo lang geleden gelezen op deze door en door sympathieke blog, waar ik al rondsurfend op terecht kwam.

Aan de ene kant is er iets verdachts aan de manier waarop vaak over werk gesproken wordt: als een minister duizend nieuwe banen schept, betekent dat nog niet dat we als maatschappij ook meer nuttige dingen maken, of meer dingen die we nodig hebben. Aan de andere kant is werk op zich goed, namelijk los van het financiële aspect goed voor de mens als dusdanig.

Bij nader inzien is dit schijbare dilemma geen dilemma. Het wijst in tegendeel juist de weg vooruit. Een kleine mentaliteitsverandering bij de minister zou al een enorm verschil maken. De minister denkt nu: ik moet jobs creëren, want dat is op economisch vlak in alle mogelijke gevallen goed. Stel dat hij in plaats daarvan zou denken: ik moet jobs creëren, want dat is op een menselijk vlak in alle gevallen goed. Dan zou in zijn zoeken naar de plaatsen waar de nieuwe jobs gevonden kunnen worden ook al het menselijke aspect meespelen. Hij zou niet meer en niet minder dan het juiste perspectief hebben om naar jobs op zoek te gaan. Hij zou in veel grotere mate behoed zijn voor de verleiding om eigenlijk onmenselijk werk te creëren, dat bepaalde werkgevers misschien zouden willen voorzien en waar hij in zijn posititie als minister niets bij te verliezen zou hebben zolang hij alleen maar met het economische vlak rekening zou houden (het economische vlak volgens de heersende economische theorieën).

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s