Juist vergelijken (deel 2)

Ter inleiding drie scenario’s waarin er iets vergeleken wordt:

1) Ik vergelijk Eddy Merckx en Joop Zoetemelk, of Lance Armstrong en Jan Ullrich. Ik kijk bijvoorbeeld naar hun resultaten. Hoeveel overwinningen hebben ze behaald? Hoeveel podiumplaatsen? Enzoverder. Op basis van een dergelijke vergelijking besluit ik dat Merckx en Armstrong succesvoller waren dan Zoetemelk en Ullrich.

2) Ik vergelijk Merckx met Armstrong. Nu is het al heel wat moeilijker. Een vergelijking van hun resultaten geeft een aanduiding, maar niet in de mate dat ik zou kunnen voorspellen wie een wedstrijd zou winnen tussen beide wielrenners op het hoogtepunt van hun kunnen. Natuurlijk in de eerste plaats omdat de tijd veranderd is: het materiaal, de technische ondersteuning, de begeleiding, de manier waarop men zijn carriëre uitbouwt, de strategieën van de ploegen, de legale en illegale supplementen … Om Merckx en Armstrong te kunnen vergelijken zou ik ze in ongeveer dezelfde context naast elkaar moeten kunnen zien. Dan pas zou ik kunnen beginnen vermoeden wie van hen twee het meest getalenteerd was.

3) Ik vergelijk Eddy Merckx met een wielrenner die tweehonderd kermiskoersen heeft gewonnen. Hier is het natuurlijk fout om te zeggen: Eddy Merckx is de minder succesvolle van de twee omdat hij minder overwinningen behaald heeft (al is het natuurlijk correct dat hij minder overwinningen behaald heeft). Hier is de context simpelweg te verschillend om de twee gevallen naast elkaar te plaatsen.

Men kan hieraan enkele dingen observeren. Eerste observatie: om iets te vergelijken moeten de dingen in een aantal relevante opzichten naast elkaar kunnen staan, maar wat die relevante opzichten zijn is in de regel vanzelf duidelijk. Immers, niemand zou zich laten bedotten door het feit dat kermiskoersen en klassiekers allebei wielerwedstrijden zijn. Ze zijn verschillend in een voor de vergelijking relevant opzicht, en dat is meteen duidelijk. Tweede observatie: daarom vertrouwen we er gewoonlijk op dat ons denken wel zal inzien wat relevante factoren zijn en wat niet. Dat is goed zo, maar het gevolg is dat bijvoorbeeld van de drie bovenstaande scenario’s niet het derde, maar het tweede het meest verwarrende is. Je zou misschien denken dat het meest foute scenario ook het meest verwarrende is, maar het is eigenlijk het half-juiste dat ons het meest in de war brengt. Het is moeilijker te doorzien dan een scenario dat in een oogopslag ontmaskerd kan worden.

*******

In deel een schreef ik over dit artikel. Ik ontdekte een verwarring, en wel omdat er twee dingen vergeleken werden die eigenlijk niet met elkaar vergeleken konden worden. Mijn eerste idee was: zie, dat is wat een filosoof observeert en een wetenschapper niet!

Maar zoals ik in het eerste artikel al aankondigde, is er een ander artikel dat mijn gedachten een andere richting heeft opgestuurd. Namelijk dit artikel.

Het is om te beginnen duidelijk een filosofisch artikel. Wat meteen mijn aandacht trok was echter de manier waarop de argumentatie zichzelf in de problemen bracht. Namelijk door de zaak vanuit een te abstract standpunt te bezien. Het enige wat nodig is, is een gewoon menselijk standpunt en men ziet dadelijk dat de vork anders aan de steel zit. En dat er dingen vergeleken worden die eigenlijk niet kunnen vergeleken worden.

De essentie van het artikel is het gedachtenexperiment met de merkwaardige uitkomst. Wat is de reden dat de meeste mensen liever in de feitelijke stad Oxford zouden wonen dan in een nagemaakt Oxford, als er geen ander verschil zou zijn dan het tijdstip waarop het gebouwd is? Gegeven een menselijk standpunt is het antwoord op die vraag evident. De tijd is gewoon veranderd sinds de middeleeuwen. Wat we toen gebouwd hebben, bijvoorbeeld Oxford, was goed – maar nu kunnen we in principe beter.

Dat is de reden waarom een nagemaakt Oxford eigenlijk niet klopt, en waarom de goede eigenschappen van het echte Oxford zich niet zonder meer laten vertalen in goede eigenschappen van een nagemaakt Oxford. Aan een middeleeuws dorp kunnen we duidelijk een aantal goede eigenschappen bewonderen. Het is duurzaam gebouwd, vaak ook met een oog voor schoonheid dat moderne architecten vreemd is. Het is minder een plaats voor auto’s en meer een plaats voor mensen. Enzoverder. Dit zijn goede eigenschappen. Men kan een middeleeuwse stad nabouwen en al deze goede eigenschappen zullen in de nagebouwde stad aanwezig zijn. Maar het voelt niet juist om ze aan de nagebouwde stad te bewonderen. Immers, we hebben er niets aan verbeterd. Hoewel we eigenlijk beter zouden moeten kunnen, hebben we het oude louter gekopieerd. Daarom kunnen we Oxford wel, maar een nagebouwd Oxford niet bewonderen.

Men moet de doelen, mogelijkheden en verworvenheden van de tijd waarin men bouwt mee in de vergelijking opnemen. De auteur van het artikel komt niet op het idee daar een factor van belang in te zien. Zijn vergelijking loopt schematisch ongeveer zo:

het echte Oxford

een nagebouwd Oxford

relevante criteria

het ziet er materieel ongeveer uit als een middeleeuwse stad

ja

ja

het heeft alle aangename eigenschappen van een middeleeuwse stad

ja

ja

alle andere denkbare criteria

x

x

irrelevante criteria

tijd waarin het gebouwd is

de middeleeuwen

nu

wat de mensen ervan vinden

eerder authentiek

eerder fake

Zo beschouwd is het een mysterie waarom mensen liever in het echte Oxford zouden willen wonen. De tijd waarin het gebouwd is zou geen rol mogen spelen, en het gevoel dat het echte authentieker is zou zelfs als regelrechte vergissing kunnen geduid worden. In geen enkele relevante categorie is er immers een verschil te onderkennen.

Anders wordt het wanneer er een relevant verschil ontdekt wordt tussen de twee gevallen. Het voorheen mysterieuze feit dat mensen een voorkeur hebben voor het echte Oxford kan dan eenvoudig geduid worden als een gevolg van dit verschil. Ik schematiseer:

het echte Oxford

een nagebouwd Oxford

relevante criteria

de nouwdoelen en bouwmogelijkheden van de tijd komen overeen met wat er gebouwd wordt

ja

nee

Worden twee situaties vergeleken die op een relevant punt verschillen, dan is het ook logisch dat het gevolg verschillend zal zijn.

In een eerste gedachtenstap staat de conclusie van de auteur van het artikel me dus niet aan; ik denk dat hij gewoon een factor overziet. Het gevolg is dat hij een fenomeen heeft waar hij geen verklaring voor vindt. Maar ik zie er wel een verklaring voor. Tot daar de eerste gedachtestap. Het blijft echter wel een interessant fenomeen dat de auteur daar ontdekt heeft. Er valt meer over te zeggen dan dat er toch een verklaring voor bestaat. Namelijk, het hoeft niet alleen verklaard te worden, het schijnt ons ook iets te vertellen over onszelf … Waar wijst het ons op?

Ik bedoel eigenlijk: de auteur heeft ook maar half de juiste vraag gesteld. Zoals hij ze stelt valt er gemakkelijk een verklaring voor te vinden. Maar belooft de vraag niet nog meer?

Er is iets vreemds aan het feit dat we op hetzelfde moment goede eigenschappen onderkennen aan het wonen in een stad als Oxford, maar toch niet in staat zijn deze goede eigenschappen te reproduceren. De kwestie dat elke tijd zijn specifieke mogelijkheden heeft en ook zijn concrete verbeteringen ten opzichte van de voorafgaande tijden zet ons op het spoor. Als we een overzicht willen, dan moeten we bekijken of we de dingen op een of andere manier naast elkaar kunnen plaatsen, zodat we ze kunnen vergelijken.

Een mogelijkheid is aldus:

het echte Oxford

een grote moderne stad

de bouwdoelen en bouwmogelijkheden van de tijd komen overeen met wat er gebouwd wordt

gebouwd in de middeleeuwen

gebouwd in onze tijd

middeleeuwse bouwdoelen

hedendaagse bouwdoelen

ja (stemt overeen)

ja (stemt overeen)

Daarmee is de vergelijking in die zin verdergeholpen, dat er nu twee dingen worden vergeleken die naast elkaar kunnen staan. De twee dingen die vergeleken worden lijken echter helemaal niet meer op elkaar in materieel opzicht. Belangrijker: het eigenlijk interessante schijnt te maken te hebben met het idee van een nagebouwd Oxford. Dat idee introduceert het hele gefilosofeer. Dus:

een nagebouwd Keltich dorp in de middeleeuwen

een nagebouwd Oxford nu

de bouwdoelen en bouwmogelijkheden van de tijd komen overeen met wat er gebouwd wordt

gebouwd in de middeleeuwen

gebouwd in onze tijd

bouwdoelen van een vroeger tijdperk

bouwdoelen van een vroeger tijdperk

nee (stemt niet overeen)

nee (stemt niet overeen)

Nog steeds een correcte vergelijking van twee dingen (die alleen materieel niet op elkaar gelijken), maar nu zit het nagebouwde Oxford wel in de vergelijking. Door deze twee dingen naast elkaar te zien, valt vooral op hoe vreemd het eigenlijk is om iets te bouwen dat niet overeenstemt met de bouwgewoontes van de tijd. Nochtans is het niet zonder reden dat men in onze tijd bouwt zoals men in onze tijd bouwt, en zo was het ook niet zonder reden dat men in de middeleeuwen middeleeuws bouwde. Men kan het positieve aan de vooruitgang toch niet zomaar links laten liggen!

Het vreemde aan het concept wordt hiermee duidelijk. maar daarmee wordt het des te duidelijker hoe vreemd het is dat we toch positieve dingen vinden aan een middeleeuws Oxford. Nu geraken we er! Dit is het interessante aan het idee. Een middeleeuws Oxford is niet gebouwd volgens de bouwdoelen (zoals ik ze maar blijf noemen om er toch maar een woord aan te geven) van onze tijd – en toch heeft dat middeleeuwse Oxford iets positiefs dat wij met onze huidige positieve bouwstijl blijkbaar niet kunnen bereiken. De eigenlijke vergelijking die overeenstemt met het interessante aan de oorspronkelijke observatie is als volgt:

het echte Oxford

een nagebouwd Oxford

?

de bouwdoelen en bouwmogelijkheden van de tijd komen overeen met wat er gebouwd wordt

gebouwd in de middeleeuwen

gebouwd in onze tijd

gebouwd in onze tijd

middeleeuwse bouwdoelen

middeleeuwse bouwdoelen

met het oog op onze tijd verbeterde middeleeuwse bouwdoelen

ja (stemt overeen)

nee (stemt niet overeen)

ja (stemt toch overeen, al is het dan geen grote moderne stad)

En de centrale vraag, de vraag waar het op aankomt is simpelweg: wat moet er op de plaats van het vraagteken komen. Dat is volgens mij hetgeen er gewonnen kan worden uit de observatie die de auteur van het artikel gemaakt heeft, de positieve conclusie.

——-

Waarom ben ik nu zo uitgebreid ingegaan op dit argument? Ik wou het samenzien met de andere redenering, die ik in deel 1 besproken heb. Daar ben ik ook ingegaan op de redenering, en kwam ik tot op een punt waarop ik het correct vergelijken juist als een kwaliteit van de filosofie zag. Akkoord, zou men kunnen zeggen, het artikel over Oxford toont dat ook filosofen wel eens vergelijkingen maken waar men zich vragen bij kan stellen. Maar is het niet de gewoonste zaak van de wereld dat iedereen zich wel eens vergist?

Ik ben zo lang blijven stilstaan bij het artikel over Oxford omdat het me trof als een representatief artikel voor de hedendaagse filosofie. Een hele reeks tendenzen van met name de analytische filosofie zijn er meer of minder expliciet in aanwezig. En het is niet zo dat deze tendenzen automatisch zorgen voor het trekken van verkeerde of overhaaste conclusies. Maar het is wel zo dat men in het artikel als het ware voor zich ziet hoe deze tendenzen het filosoferen in een bepaalde richting sturen – een richting waar het overzicht niet te vinden is.

Ik geef een kleine opsomming van de tendenzen waarover ik spreek.

1) Een geloof in het wetenschappelijke wereldbeeld. Daarmee bedoel ik een geloof in de basale wetenschappelijke overtuigingen, het kader om zo te zeggen, niet in alle specifieke detailovertuigingen. Wat bepaalt de wezenlijke kenmerken van iets? De materie. Als de materie van iets gelijk is, dan zouden ook de kenmerken gelijk moeten zijn. Zelfs het kenmerk “authentiek” willen we graag verbinden met de vraag “wanneer is het materieel gebouwd?”

2) Een geloof dat de kaders van de werkelijkheid niet echt in vraag gesteld hoeven te worden. Over de basale dingen zijn we het immers toch allemaal eens. Om te beginnen over de wetenschappelijke kaders, maar ook over common sense dingen. De traditionele grote filosofische vragen zijn eigenlijk niet de interessante vragen, want daarover heeft iedereen eigenlijk toch dezelfde overtuigingen, impliciet of expliciet. En met die overtuigingen moeten we het doen.

3) Er is een soort taakverdeling tussen de filosofie en de wetenschap. De filosofie houdt zich bezig met de vragen die wel interessant zijn. Die ontstaan op de punten waarop er geen voorgegeven duidelijkheid is over het antwoord, bijvoorbeeld de punten waar onze overtuigingen elkaar lijken tegen te spreken. De wetenschap levert het kader van het weten, en levert daarenboven eigelijk aan de filosofie de interessante vragen, namelijk wanneer het wetenschappelijke wereldbeeld vreemde gevolgen schijnt te hebben. Waarom vinden bijna alle mensen Oxford interessanter dan Poundbury? Dat is toch eigenlijk vreemd aangezien ze materieel gelijkaardig zijn.

4) Tot daar toe is het alleen wat men wel noemt “filosofie met een kleine f”. Maar soms komt het zover dat de filosofie dit en alleen dit als haar taak gaat zien. Dan spreken we, met het modewoord, over genaturaliseerde filosofie. Er zijn natuurlijk een aantal voordelen aan het beogen van deze soort van filosofie. De taakverdeling is duidelijk, er is veel ruimte voor het vinden van resultaten, en de resultaten gaan op voorhand al niet in tegenspraak geraken met de wetenschap. In de traditionele opvatting over de plaats en de functie van de filosofie is de taakverdeling minder duidelijk, is er weinig ruimte voor het vinden van resultaten, en kunnen de wetenschappelijke waarheden te allen tijde in vraag gesteld worden.

5) Los van de vraag of filosofie met een kleine f dan wel genaturaliseerde filosofie beoogd wordt, bestaat er een hang naar gedachtenexperimenten. In een wereld waar de antwoorden op de basale vragen gelden als zaken waarover iedereen het eens is, komt men de interessante vragen meestal maar op het spoor in uitzonderlijke gevallen. Het is pas daar dat onze overtuigingen elkaar tegenspreken of elkaar schijnbaar tegenspreken. Niet in het gewone leven waar alles al in orde is. De gedachtenexperimenten lijken ons vaak iets te vertellen over de menselijke conditie, en daarin klinkt dan tenslotte toch iets door van de traditionele positie van de filosofie.

6) Wat ons ook iets lijkt te vertellen over de menselijke conditie is hoe wij spreken. Dat is wat men noemt de “linguistic turn”. Hoe geraakt men verder in de filosofie? Niet door te onderzoeken wat echt is en wat schijn is, maar door te onderzoeken wat wij bedoelen als we zeggen “fake”, “authentiek”, “echt”, “natuurlijk” … Als filosofen zijn we niet op zoek naar een of andere absolute waarheid. Wat we wel zoeken is bijvoorbeeld het inzicht dat we over authenticiteit in termen van origine denken. Voor we dat aan een gedachtenexperiment geobserveerd hadden dachten we ook al over authenticiteit in termen van origine, maar dankzij het gedachtenexperiment zijn we ons ervan bewust. Zo komen we verder en hebben we iets geleerd over ons menszijn.

7) De grondhouding van dit soort filosofie lijkt dezelfde te zijn als de houding die men aanneemt wanneer men zegt: in de ethiek zijn er duizenden verschillende posities. We geraken het niet eens over welke positie nu de juiste is. Maar we zijn het er wel allemaal over eens dat moorden slecht is. Laten we gewoon een lijst maken van waar we het “toch al” over eens zijn en dat zonder verdere begronding verklaren als universeel.

8) De laatste drie tendenzen kan men ook smaenvatten onder een algemenere hoofding, namelijk een voorkeur voor het filosoferen buiten enige kennis van de ware werkelijkheidsgrond om. Dat ligt ook wel enigszins voor de hand aangezien er alleen het wetenschappelijke kader is dat die plaats kan innemen. Het wetenschappelijke kader is nu beperkt tot fysica of op zijn hoogst biologie, en misschien is dat wel de reden dat de genaturaliseerde filosofie zo graag de werkverdeling wil aanvaarden tussen de wetenschap en zichzelf. Over alles waar de wetenschap geen eenduidig antwoord op kan geven kan de filosofie filosoferen – alleen, vanzelfsprekend, zonder zich te beroepen op in de werkelijkheidsgrond gefundeerde kennis, want dat is immers het domein van de wetenschap. Zodoende ontstaat er een bijzondere voorliefde voor argumentaties die verwijzingen naar de werkelijkheidsgrond vermijden en er toch in slagen enige substantie te hebben.

Wat mij zo opgevallen is aan het artikel is hoe aanschouwelijk het is dat de middelen er niet zijn om tot het juiste overzicht te komen. De middelen die voorhanden zijn, dat zie je duidelijk, zijn de tendenzen die ik net geschetst heb, de gewone filosofische manieren om te werk te gaan die nu eenmaal in de mode zijn. Het is niet dankzij deze middelen dat een onvolkomen conclusie wordt getrokken, maar het is wel typisch dat de juiste conclusie in sommige gevallen gewoon niet in het oog gevat kan worden als gevolg van de tendenzen. De tendenzen, of het soort filosofie dat er het gevolg van is, deugen als middel om sommige conclusies te bereiken, maar ze deugen niet als middel om andere conclusies te bereiken. Met name die gegevens die niet meer onmiddellijk afleidbaar zijn uit het materiële niveau worden snel onzichtbaar voor dit soort filosofie.

Men heeft wel de middelen om binnen de sfeer van het reeds gegevene te blijven. Geen enkele voorhanden stad is en gezellig zowel als authentiek. Adoptiekinderen hebben een verlangen om hun biologische origine te kennen. Maar een heel andere filosofische attidude zou nodig zijn opdat het toekomstige, of zelfs het specifiek menselijke (in tegenstelling tot het wetenschapsbedrijf-achtige), in het oog gevat kan worden – en soms wijst het feitenmateriaal naar het toekomstige.

In het artikel over de vissen was er een interessant experimenteel gegeven, dat bovendien de belofte in zich scheen te dragen dat het ons iets kon vertellen over onszelf – waarlijk een diepzinnig en filosofisch thema dus. De conclusie waartoe de schrijver kwam was dat democratie een domme massa nodig had. Maar het bleek dat hij niet de middelen had om de dingen op de juiste manier op een rijtje te zetten. Want werden ze juist op een rijtje gezet, dan bleek dat de juiste conclusie was dat democratie kan veranderen in valse democratie wanneer er een domme massa toegevoegd wordt. Op zich zegt dit niets over de wetenschap, want de regel is dat er in de wetenschap juist geconcludeerd wordt, en foute conclusies zijn de uitzondering. Maar het komt voor, en dan schijnt het iets te zeggen over de middelen, het denk-gereedschap waarover de wetenschap beschikt. Dat kan beter.

In het artikel over de steden was er een interessant gegeven, niet ontdekt in een experiment, maar in een denkexperiment. Het scheen ook de belofte in zich te dragen dat het iets kon vertellen over onszelf, heel diepzinnig en filosofisch. Maar ook hier werden de dingen niet juist op een rijtje gezet, en wees de conclusie in de foute richting: mensen zouden geïnteresseerd zijn in het verleden op zich, in de origine. In tegendeel, juist beschouwd is hetgene waarin de mensen geïnteresseerd zijn juist datgene wat nog niet daar is, toekomstige steden die nu nog niet zijn gebouwd, steden en huizen die de huidige bouwgewoontes overstijgen, steden die niet gericht zijn op het reproduceren van de principes waar “toch iedereen het over eens is”, principes die echter steden voortbrengen waarin men minder graag woont dan in voorbijgestreefde middeleeuwse steden. Ook hier ligt het aan gebrekkige middelen en is niettemin het optreden van een foute conclusie veeleer de uitzonderling dan de regel. Maar waar ik in het artikel over vissen de neiging had om te besluiten: er is in de wetenschap meer filosofie nodig, neig ik hier naar het merkwaardige besluit: er is in de filosofie meer filosofie nodig!

*******

En hier kom ik weer aan het probleem dat mijn hele uiteenzetting niet echt een begin of een einde heeft. Ik wist niet goed hoe ik eraan moest beginnen, en ik weet ook niet goed hoe ik het moet beëindigen. De zaak is eenvoudig dat ik nog veel meer zou willen zeggen, maar ik zou me dan inhoudelijk te ver verwijderen van de twee artikels waarop ik me baseer.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s