Johan Braeckman over kritisch denken

Misschien ligt er een bepaald psychologisch of evolutionair proces aan ten grondslag, dat je sneller geneigd bent kritisch tegenover iets te staan als je je er al eens eerder kritisch over hebt uitgelaten of iets dergelijks. In ieder geval voel ik me weer gedrongen een paar puntjes van kritiek te geven op de stellingen die Johan Braeckman ingenomen heeft in een interview in de krant van woensdag. Als ik er een pdf van vind zal ik ernaar linken, anders: in De Morgen, 5 oktober, p.32.

Ik kan niet ontkennen dat er een subjectieve reden is die meespeelt bij dit schrijven. Sinds ik me eens verdiept heb in zijn stellingen over homeopathie, lees ik zijn opiniestukken en interviews met meer interesse. Dat is een door en door subjectieve reden, want ik lees ze niet met de verwachting dat hij veel belangrijke dingen zal zeggen. Dus waarom lees ik ze dan wel? Omdat ik het leuk vind me boven hem verheven te voelen? Ik hoop het niet, maar ik kan niet uitsluiten dat het meespeelt. – In elk geval is er ook een objectieve reden. Je kan Johan Braeckman moeilijk ontlopen deze dagen. Niet alleen is dat de bedoeling, namelijk omdat hij de evolutieleer moet promoten, maar hij heeft ook nog eens een nieuw boek uit. Zodus, ik twijfel er sterk aan dat ik zijn aanwezigheid in de media zou kunnen negeren, zelfs al zou mijn interesse niet al gewekt zijn door de toestand met de homeopathie. Nu is het zo dat hij vaak opgevoerd wordt als model van filosofisch denken, en op dat punt vind ik dat hij de filosofie een slechte naam geeft. Ik vind dat het waar is dat hij de filosofie een slechte naam geeft; dat is de objectieve dimensie. Dat zou nog niet zo erg zijn moesten er behalve Braeckman nog een paar andere filosofen opgevoerd worden, die de filosofie van een betere kant lieten zien. Het zou ook niet zo erg zijn indien er enige kritiek hoorbaar was op de stellingen van Braeckman. Maar ik heb nog geen dergelijke kritiek opgevangen. Hoe dan ook, omdat ik het belangrijk vind om erop te wijzen dat de zaken minder eenduidig zijn dan Braeckman ze voorstelt, en omdat ik na mezelf kritisch te bevragen van mening ben dat dit niet louter kritiek om de kritiek is, heb ik besloten mijn kritiek op de stellingen van Braeckman op te schrijven. Ik baseer me op het artikel in De Morgen.

——-

Er is één centrale gedachte die altijd terugkomt. Ik vermoed dat Braeckman ze beschouwt als een ontdekking waar hij bijzonder trots op is. Wetenschappelijke onderzoekers zijn ook maar mensen, en ze verdedigen in de regel ook maar gewoon hun toevallige lievelingsmeningen. Het is in de eerste plaats deze gedachte waarvan ik wil laten zien dat ze slechts zeer beperkt geldig kan zijn. Ik ben er ook al tegen ingegaan in het artikel over homeopathie, maar dat was om een concrete instantiatie van deze gedachte te weerleggen, niet de gedachte in het algemeen. En ik ben er nadien nog eens tegen ingegaan in de vorige blogpost, maar daar was een variant van de gedachte aan de orde waar ik het in principe mee eens kan zijn. Ik ben het er namelijk mee eens dat wetenschappers lievelingsmeningen hebben en dat het zo goed is, voor zover er daarin een element van liefde voor de waarheid te onderkennen is. In de neo-darwinistische stijl van filosoferen wil men echter zonder de liefde voor de waarheid uitkomen. Men wil immers bottom up denken en niet top down. “De waarheid” als een ideaal, zonder een biologische, laat staan een materiële basis, past niet in dat plaatje.

Braeckmans idee bestaat erin ook eens het verschijnsel kennis van onder uit te beschouwen, vanuit een evolutionair standpunt. Een van de conclusies waar hij toe komt is dat het verschil tussen dommeriken en slimmeriken is dat de slimmeriken beter in staat zijn hun ideeën te verdedigen. Op die manier degradeert Braeckman de waarheid tot een factor zonder wezenlijke betekenis. Kennis is een vorm van menselijk gedrag die je kan bestuderen zoals een bioloog de verwantschap tussen soorten schildpadden bestudeert. Je zou misschien a priori denken dat in deze soort menselijk gedrag de waarheid een rol moet spelen; maar het blijkt dat je heel goed een beschrijving kan geven zonder ernaar te hoeven verwijzen. Ideeën op zich hoeven helemaal niet beschouwd te worden onder het oogpunt waar of onwaar, want hun zogezegde waar- of onwaarheid speelt nergens een rol in het gedrag. Akkoord, het lijkt misschien dat het een rol speelt bij het verschijnsel gelijk hebben; maar dat kan je dus ook analyseren onder het oogpunt van “zijn eigen mening goed kunnen verdedigen”. Door deze analyse kan Braeckman verklaren dat mensen die in feite slim zijn toch kunnen geloven in homeopathie en andere zaken die door de meeste wetenschappers als onzin worden beschouwd.

Ik geloof dat ik deze gedachtengang heb weerlegd in de blogpost over homeopathie. Ik heb aangetoond dat je bij nader toezien niet meer op een zinvolle manier het proces van kennis kan verklaren, als je het inhoudelijke aspect wegneemt. Er moet een inhoud zijn in de argumenten en die moet in verband staan met een inhoud in de conclusie, anders wordt je hele beschrijving absurd. Dat wil zeggen, tenzij je een eminent vaag beroep doet op de wetenschap. Dat is de mouw die Braeckman er aan past in zijn artikel over homeopathie waar mijn blogpost een reactie op was.

Ik dacht toen trouwens dat Braeckmaniaanse gedachte van de slimmerik die een domme gedachte verdedigt een ad hoc verklaring was voor het speciale geval van de homeopaat. Maar ook nu blijkt dat het een kernstuk is van zijn discours over kritisch denken, blijf ik achter mijn kritiek staan.

——-

Een ander element van dit discours is een beschrijving van hoe mensen (van het dommere of het slimmere slag) in de eerste plaats met de foute overtuigingen opgezadeld geraken. Deze beschrijving is niet meer en niet minder dan het pendant van de beschrijving van wat kritisch denken is. Mensen worden met een foute mening opgezadeld omdat ze niet kritisch genoeg denken, en in alle gevallen waarin ze niet kritisch genoeg denken lopen ze het gevaar om opgezadeld te geraken met foute kennis. Het is namelijk zo dat onkritisch denkende mensen om het even wat aannemen dat eruit ziet als kennis. Ze zijn daar evolutionair zo toe bepaald. Kritisch denken is in feite de correctie op deze evolutionaire voorbepaaldheid. Het voorbeeld dat Braeckman hier graag aanhaalt is Uri Geller. Een toeschouwer die Uri Geller aanschouwt zonder kritisch te kunnen denken loopt groot gevaar Uri Geller te gaan geloven. Dat is nu eenmaal zo door onze evolutionaire geschiedenis. Maar eens hij ertoe gekomen is te geloven dat Uri Geller lepels kan buigen door telekinese, kan hij nog nauwelijks van die overtuiging verlost worden. Immers, ook als hij slim is zal hij in staat zijn om zijn geloof te verdedigen met voor hemzelf overtuigende argumenten.

Deze redenering is zo onnozel als ze groot is, omdat Braeckman één ding over het hoofd gezien heeft. Mensen passen hun overtuigingen aan. Mensen zien soms hun eigen vergissingen in. Natuurlijk gebeurt dat niet altijd, en zeker niet automatisch, maar het is wel een heel gewone zaak. Ik herinner me nog dat ik mij toen ik klein was eens afgevraagd heb hoe veel meter de afstand tussen mijzelf en de maan ongeveer zou zijn; mijn schatting was dat het ongeveer een paar keer de hoogte van de kerktoren was. Toen iemand mij vertelde dat de maan onvoorstelbaar veel meters ver verwijderd was, wou ik hem eerst niet geloven, maar na er een paar weken of zo over nagedacht te hebben was ik tot de conclusie gekomen dat het waarschijnlijk toch waar was, en dat was vanaf dan ook mijn overtuiging. Het is iets volstrekt alledaags om een vergissing in te zien en als gevolg daarvan van mening te veranderen. Ander voorbeeld: vaak berust de clou van een grap op het principe dat we inzien dat iets een vergissing is, terwijl we ook wel inzien dat het aannemelijk is voor de personages in de grap.

Het aanpassen van een overtuiging gebeurt omdat we ontdekken dat iets fout was en we overgaan naar een overtuiging waarvan we geloven dat hij waar is. Natuurlijk kunnen we ook overgaan van het ene model dat op een bepaald moment de feiten het best verklaart naar een model dat op een later moment de feiten het best verklaart, bijvoorbeeld na het opduiken van nieuwe data; in dat geval is er geen inzien van een vergissing aan het werk. Maar ook in een scenario waarin het over modellen gaat is het denkbaar dat men het geloof in een van de basisvooronderstellingen van het model verliest, met andere woorden dat men wel degelijk ook zou inzien dat een van de punten waar men echt in geloofde toch op een vergissing berustten.

Braeckmans poging om het hele kennisproces te beschrijven zonder een beroep te doen op waarheid, doet me ook sterk denken aan wat er zou gebeuren als je zou proberen het proces van esthetisch oordelen te beschrijven zonder te verwijzen naar een esthetische ervaring. Die situatie heb ik proberen te analyseren in deze blogpost. Ik ben tot de conclusie gekomen dat je er niet uitkomt zonder een esthetische ervaring. Als je dat probeert wordt je hele argumentatie circulair. Ik geloof dat een paralelle analyse, namelijk van het kennisverhaal waaruit de waarheid geëlimineerd is, op dezelfde conclusie zou uitlopen.

De scenario’s zijn gelijkaardig omdat het criterium verlegd wordt naar iets dat op een vage manier gebeurt in de gemeenschap. In het ene geval ligt het criterium in het esthetische aanvoelen van de meerderheid van de mensen, in het andere in de consensus binnen de wetenschappelijke gemeenschap. In het wereldbeeld van Braeckman schijnt er weinig heilig te zijn voor kritiek, met uitzondering van de wetenschappelijke consensus, die alle kwaliteiten van heiligheid bezit. Maar zoals gezegd, is het vertrouwen in het oordeel van de wetenschap nodig om een mouw te passen aan een probleem dat inherent is aan deze wereldbeschouwing: waarom zouden sommige uitspraken geldig zijn en andere niet, als de manier waarop wij ervan overtuigd raken niet meer inhoudt dan een functie van onze evolutionaire bepaaldheid en de indrukken die we in onze omgeving opdoen? Braeckmans antwoord: onafhankelijk van gelijk welke andere factoren is die uitspraak de juiste, die overeenstemt met de heersende wetenschappelijke consensus. Ik wil op deze plaats de logische analyse niet doorvoeren; ik verwijs naar de blogpost over stijlregels en stijlaanvoelen voor een schema van hoe ik geloof dat de analyse zou verlopen.

——-

Ik hoef die logische analyse ook niet door te voeren, want er is een veel sterker argument om aan te tonen dat het beroep op de wetenschappelijke consensus niet werkt. Het is namelijk heel eenvoudig aan te tonen dat wij niet weerloos overgeleverd zijn aan de Uri Gellers van deze wereld. Ik vat Braeckmans positie in enkele punten samen:

  • Het regelmatige proces is dat we spontaan de verbanden leggen die we menen te observeren. Het is op die manier dat we uit de observatie van Uri Geller afledeiden dat hij lepels kan buigen vanop afstand, “met zijn geest”.
  • Uit onszelf zien we dergelijke vergissingen niet in.
  • We moeten dus, in dergelijke gevallen, in plaats van het regelmatige proces het onregelmatige nastreven. Dit kan twee dingen betekenen, die zeer dicht bij elkaar liggen.
  • Ofwel betekent het dat we kritisch denken. De kritische denker (of “scepticus”) is degene die de wereld tegemoet treedt met alle wetenschappelijke kennis, ook de wetenschappelijke kennis over zijn eigen waarnemingsapparaat en alle psychologische mechanismes die een rol spelen bij het verwerken van informatie.
  • Ofwel wil het zeggen dat we vertrouwen stellen in de wetenschap. Wetenschap betekent ongeveer zo veel als het instituut van het kritische denken. Als iets beschouwd wordt als wetenschap, mag je ervan uitgaan dat het tot stand gekomen is op een kritische manier.

Neem een recent artikel van Braeckman en je zal waarschijnlijk deze punten aantreffen. Welnu, wat hij daarmee impliceert is dat de scepticus of wetenschapper kan weten dat Uri Geller een goochelaar is. De scepticus of wetenschapper weet dat het waar is dat Uri Geller slechts doet alsof hij telekinese beheerst. Die waarheid is toegankelijk via een bepaalde procedure, die de scepticus beheerst. (Bij de scepticus is het een procedure, bij de wetenschapper kan het zijn dat het slechts een consensus is, maar dat wil alleen zeggen dat de totale procedure verdeeld is over meerdere wetenschappers.)

Voor de andere mensen echter, is de waarheid dat Uri Geller een goochelaar is niet toegankelijk. Dit is precies het punt waarop Braeckmans theorie zichzelf weerlegt. Waarheid is iets dat men inziet. Het is onmogelijk dat er een waarheid kan bestaan die door de een kan worden ingezien, maar door de ander niet. Als deze waarheid door iemand ingezien kan worden kan ze ook door iedereen ingezien worden. Dat is een elementaire eigenschap van de waarheid. Waarheid kan verschillende betekenissen hebben, maar dit is een van de meest alledaagse, een van de betekenissen die we het vaakst op het oog hebben wanneer we het woord waarheid gebruiken. Daarom is het, tenzij je het woord waarheid in een oneigenlijke betekenis gebruikt, volstrekt onmogelijk dat bepaalde waarheden alleen door een scepticus of een wetenschapper zouden ingezien kunnen worden, zelfs al zou er een specifieke procedure nodig zijn om ze in te zien. Dan moet die eventuele procedure maar uitgelegd worden aan de onkritische telekinese-believer. Ze moet door iedereen gevolgd kunnen worden, dat volgt uit het meest basale begrip van wat waarheid is.

Inplaats van de weg te wijzen aan degene niet kritisch genoeg nadenkt, zodat deze zelf tot het inzicht kan komen dat het waar is dat Uri Geller een goochelaar is, verkiest Braeckman de andere methode om kritisch denken te stimuleren: simpelweg wijzen op de consensus van de wetenschap en verwachten dat daar geloof aan wordt gehecht. Nu lijkt het wel dat dit de weg van het kritische denken is, omdat hij impliceert dat wijzen op een wetenschappelijke consensus voldoende is om een believer ertoe aan te sporen het onderzoek zelf eens over te doen dat de wetenschap al lang gedaan heeft. Maar als je kijkt naar de boodschap die Braeckman voor bijvoorbeeld homeopaten klaar heeft, dan zie je dat daarin niets terug te vinden is van argumenten die de homeopaat zou kunnen gebruiken om zelf tot een andere meer kritische conclusie te komen. In plaats daarvan staat altijd alleen maar dat de wetenschap nu dit zegt en dat wij dit daarom moeten geloven, punt. Hoogstens in het geval van Uri Geller zou hij misschien de moeite nemen om eens met argumenten aan te komen bij een believer om die zelf aan het denken te zetten, zodat hij zelf inziet dat Uri Geller een goochelaar is. Maar dat is dan ook een gemakkelijk geval.

Aan de ene kant hangt hij een discours op van het menselijke verstand als iets dat het resultaat is van een aantal automatismen die ons hebben doen overleven toen we holbewoners waren, en die bijgevolg in principe niets met waarheid te maken hebben en ons in alle mogelijke intellectuele valstrikken laten lopen; aan de andere kant zouden we onze hoop moeten stellen op iets dat hij weliswaar kritisch denken noemt, maar in feite niet meer inhoudt dan: denken zoals de wetenschap nu denkt. In plaats van door de holbewonersmechanismen, moeten we ons denken laten regeren door de wetenschappelijke automatismen. Zelf denken, of zelfs maar een manier van denken die aanknoopt bij hoe wij zelf denken en verbanden leggen in het dagelijks leven, komt niet in het Braeckmaniaanse plaatje voor. Voor de believer zal de waarheid dat Uri Geller een goochelaar is voor altijd onbereikbaar blijven.

*******

Nog enkele punten die minder met het voorgaande te maken hebben

Natuurlijk zijn veel observaties van Braeckman wel correct. Inderdaad blijkt vaak dat ook topwetenschappers vatbaar zijn voor suggesties of te haastige verbanden. Ook het klasseren van dit gegeven als een symptoom van een algemeen fenomeen, namelijk dat het menselijke verstand een aantal neigingen heeft die vaak tot foute conclusies leiden, klopt. Wat niet klopt is deze neigingen te zien als onoverwinbare evolutionaire wetten. Als je dat doet, negeer je een heel veld van andere fenomenen, namelijk alle fenomenen rond waarheid – en bovendien zit je verlegen om een verklaring voor het feit dat we toch doorheen deze neigingen tot de waarheid kunnen doordringen. Het verhaaltje van de wetenschappelijke consensus is al te dun.

——-

In het bovenstaande heb ik het kernstuk van Braeckmans betoog besproken. maar Braeckman slaat in het interview in De Morgen ook nog een merkwaardig zijpad in om zijn kernstelling kracht bij te zetten. Hij wil namelijk ook via de evolutietheorie aantonen  dat de menselijke kennis niets met waarheid te maken heeft. Het evolutionaire proces dat geleid heeft tot het verschijnen van menselijke kennis trekt zich volgens hem immers niets aan van wat de waarheid is. Sterker, het zelfbedrog heeft een evolutionair voordeel.

Om te overleven is objectieve kennis niet echt cruciaal, zelfbedrog wel. Mensen zijn heel sociaal en communicatief, en ze kunnen er baat bij hebben anderen te bedriegen. Maar het mag niet uitkomen natuurlijk, want dan kan dat bedrog fataal zijn. Als je een bedrieger blijkt, wil niemand nog met je samenwerken, maar als je er daarentegen in slaagt iemand te bedriegen zonder dat je betrapt wordt, zijn de voordelen heel groot. Nu blijkt dat degenen die erin slagen leugens te vertellen waarin ze zelf geloven, en die dus aan zelfbedrog doen, veel overtuigender overkomen. Iemand die onterecht van een ziekteuitkering leeft, maar zelf gelooft dat hij ziek is, zal veel eerder in staat zijn een controlearts om de tuin te leiden. Zelfbedrog loont dus, en dat verklaart waarom we er vanuit evolutionair oogpunt kwetsbaar voor zijn. Wat hieruit duidelijk wordt, is dat wanneer je opkomt voor kritisch denken, je ook strijdt tegen diepgewortelde psychologische mechanismen die daar niet zomaar zitten. Mensen hebben bijvoorbeeld de neiging zichzelf veel waardevoller in te schatten voor hun omgeving dan ze in werkelijkheid zijn. Als iedereen realistisch zou zijn over wat anderen van hem of haar denken, zou dat dus niet zo positief zijn. Met het brein is het wellicht niet anders dan met de rest van het lichaam. Het is net zo goed geëvolueerd, niet in functie van hogere doelen, maar wel omdat dit meer kans op overleven bood.

Als ik dus zou willen verdedigen dat het denken wel degelijk een verband heeft met hogere doelen, in dit geval waarheid, dan is Braeckmans tegenargument dat de evolutie alleen het overtuigd zijn in de eigen overtuigingen heeft gestimuleerd, en niet het overtuigd zijn in de ware overtuigingen.

Wat hij niet verdedigt is dat bedriegen zelf door de evolutie bevoordeeld zou kunnen zijn, of het zou me toch sterk verbazen. Kant wist al dat bedriegen niet universaliseerbaar is omdat het bij gratie van oprecht zijn bestaat; bijgevolg is er ook geen evolutionair scenario mogelijk waarin het bedriegen de bovenhand zou halen als de meest ontwikkelde gedragsvorm. Het gaat enkel om het zelfbedrog.

Maar wat ik me hier afvraag is hoe ik me deze evolutie juist moet voorstellen. Men zou toch denken dat een dispositie tot het hebben van ware overtuigingen een evolutionair voordeel heeft. Om een even anachronistisch voorbeeld als dat van de hypochonder met de ziekteuitkering te geven, Braeckman zou toch moeten geloven dat het soort gedrag van iemand die hoopt door astrologie of homeopathie van een longontsteking verlost te worden een evolutionair nadeel heeft. Er zijn verschillende soorten zelfbedrog. De foute overtuiging waar je aan vasthoudt kan voordelen hebben, zoals bij de hypochonder. Ze kan nadelen hebben, zoals bij de homeopaat, op voorwaarde dat homeopathie nonsens is. Of ze kan (bijna) geen verband hebben met de wereld waarin wij proberen te overleven, zoals bijvoorbeeld bij de creationist. Welnu, ofwel maak je geen onderscheid tussen deze vormen, ofwel maak je er wel een. Als je er geen maakt, dan schijnt het me toe dat zelfbedrog als soort van menselijk gedrag al lang uitgestorven zou moeten zijn. Als je er wel een maakt dan moet je een heel nieuwe verklaring vinden voor zelfbedrog, want dan kan een voorbeeld als dat van de hypochonder niet meer gebruikt worden om te verklaren dat ook slimme mensen in homeopathie geloven.

En nog een ander punt. Ik geloof dat mensen inderdaad vaak zelf overtuigd raken van hun eigen bedrog, leugens of vergissingen. Maar doelbewust liegen komt nog veel vaker voor. Hoe moet je dat verklaren, als opzettelijk liegen evolutionair minder voordelig is dan zelf in je leugen geloven?

De uitleg over het zelfbedrog maakt het echt alleen maar verwarrender.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s