Iets ter verdediging van de continentale manier van denken

Tijdens het lezen van een boek ben ik een passage tegengekomen waarin een overzicht gegeven werd van hoe de voornaamste psychologische stromingen omgaan met het verschijnsel van cycliciteit, zoals de auteur het noemt. Ik was helemaal vergeten hoe spannend het er in de psychanalyse aan toe kan gaan!

Er is een gegeven dat op een bepaald moment psychologen begint te interesseren, in dit geval het feit dat sommige mensen telkens in dezelfde situatie terechtkomen, bijvoorbeeld mensen die ook in nieuwe omgevingen na verloop van tijd gepest worden. Het komt er niet op aan welk gegeven het is; het spannende is hoe de psychologen dan manieren zoeken om het verschijnsel te kunnen verklaren vanuit hun theorie. Het komt er evenmin op aan of het de psychoanalyse is of een andere psychologische stroming, maar in de psychoanalyse ben ik een klein beetje thuis door filosofie gestudeerd te hebben. Ik weet dus waar de psychoanalytici vandaan komen een waar ze naartoe willen, wanneer ze bijvoorbeeld cycliciteit willen verklaren.

In de psychoanalyse wordt de term herhalingsdwang gebruikt en kan het fenomeen verklaard worden vanuit verschillende mechanismen: het kan zijn dat de patiënt onbewust aandacht of controle wil verkrijgen, het kan het gevolg zijn van een traumatische situatie waarin hij ertoe gekomen is zijn agressie op zichzelf te richten, of het kan zijn dat de herhalingsdwang in feite een poging van het onbewuste is om geleden smart te verwerken. Ik vat misschien wat haastig en ongenuanceerd samen wat ik in het boek gelezen heb. Maar het is duidelijk dat er aan creatieve hypothesen geen gebrek is.

Het bijzonder mooie is dat al deze hypothesen een aantal kenmerken hebben. Ten eerste, het verschijnsel zelf wordt niet helemaal op zichzelf beschouwd. Er is geen moment waarop het verschijnsel wel al op zichzelf leerrijk is, maar nog niet gekaderd binnen de theorie. Nee, eerst moet het met de theorie verklaard worden, binnen de theorie een plaats krijgen, en dan pas wordt het als een leerrijk en interessant gegeven beschouwd. Dat is natuurlijk ook logisch. Als men nog geen psychoanalytische verklaring gevonden zou hebben, dan zou elke manier om over het verschijnsel te spreken potentieel in contradictie staan met de psychoanalytische kaders, waar men als psychoanalyticus toch aan vast wil houden. Ten tweede, de verklaring wordt wel degelijk beschouwd als echt verklaring. Als de theorie zegt dat het de verwerking is van een trauma, dan wordt ervan uitgegaan dat het ook in feite de verwerkinjg van een trauma is. Misschien heeft die aanname een voorlopig karakter, maar ze blijft wel staan in afwachting van een betere.

Er wordt dus vrijelijk op losgetheoretiseerd om een fenomeen in een voorgegeven kader te laten passen, maar dat hindert niet dat de zo gevonden theorie beschouwd wordt als juist. Dat vind ik bijzonder mooi.

Immers, bijna alle kennis komt op die manier tot stand. Met de wetenschap is het meestal niet anders gesteld. Een fenomeen wordt ingepast in een voorgegeven kader, en dat noemen we dan een verklaring.

Het verschil is dat wetenschap meer kan zijn. Het is menselijk mogelijk om een verschijnsel te beschouwen op zichzelf, georiënteerd op de vraag “Wat kan het mij leren?” eerder dan op de vraag “Hoe past het in mijn model?” Als het niet de wetenschap is die zich deze houding tot ideaal kan maken, dan weet ik niet welke andere menselijke bezigheid. De vraag is alleen of de wetenschap in het algemeen dit ideaal koestert of niet. Dat is nu geen kwestie waar ik me zou willen over uitspreken, maar ik meen toch iets aan te voelen in de houding van sommige mensen met een wetenschappelijke achtergrond. Wat ik aanvoel is een hoop die gesteld is op onbetwijfelbare kennis, die vervuld wordt in de wetenschap. Een hoop die zou omslaan als zou blijken dat de wetenschap niet meer doet dan hypothesen opstellen.

Ik zou eens een fenomenologie van de wetenschappelijke houding willen schrijven en in detail uitvogelen hoe het onder de verschillende types wetenschapstheoretici gesteld is met de verschillende mogelijke houdingen die men kan innemen. Daar in deze context aan beginnen zou iets te conjectureel zijn. Maar ik vermoed dat er iets aan te vangen is met de twee categorieën: 1) het rustig verder uitbouwen van de wetenschap, in het besef dat zij nog lang niet ultiem gefundeerd is (en in afwachting daarvan dus niet volledig epistemologisch zuiver gefundeerd is); 2) het zich staande houden aan de wetenschap, in de overtuiging dat zij de enige onderneming van de geest is die een benadering van de waarheid waarborgt.

In het ideale geval gaan de twee categorieën samen en is er zowel het besef dat het ook maar een model is, als de eis van de allerstrikste methode en het zich geïnspireerd voelen door die eis. In de praktijk lijk ik vaak te observeren dat het eerder een krampachtig vastklampen aan de wetenschap is, vanuit het idee dat zij de enige paal is die boven water staat.

Een fenomenologische beschrijving van het tweede, krampachtige geval lijkt mij erg interessant omdat ik vermoed dat het een kantelmoment zou bevatten: een moment waarop het geïnspireerd worden zou ophouden als zou blijken dat wetenschap niet reeds automatisch garant staat voor waarheid. Voor zover ik dat vermoeden moet onderbouwen, verwijs ik naar de colleges analytische filosofie die ik gevolgd heb. Het werd door de professoren expliciet vermeld dat wetenschappelijke waarheden wel vaak de conceptuele problemen aanleveren (namelijk als zij in botsing komen met de common sense), maar niet op zich in vraag gesteld worden. En dat is dan nog niet eens het standpunt van de genaturaliseerde filosofie, waarin de filosofie er trots voor kiest plaats te nemen na de wetenschap, en niet voor de wetenschap, zoals de traditie het wil. Noot: de analytische epistemologen en wetenschapsfilosofen zijn degenen die heel goed op de hoogte zijn van de theoretische voorlopigheid van de wetenschap.

En dat is het hele punt. In de praktijk zijn het de psychoanalytici, op de schaal van wetenschappelijke credibiliteit maar net hoger genoteerd dan de astrologen, die het ideaal van de wetenschap benaderen. Toegegeven, vanuit het boven geschetste gezichtspunt, misschien wel alleen maar vanuit dat gezichtspunt. Hun methode is natuurlijk niet de allerstrengste, maar stel je een psychoanalyse met een strenge methode voor en je hebt een wetenschap die het ideaal benadert. Een wetenschap waarin de beoefenaars goed genoeg weten dat hun kennis heel voorlopig is, terwijl ze toch de moed hebben om creatieve nieuwe ideeën te bedenken om de feitelijkheden te verklaren. Dat is juist wat me opviel als het bijzonder mooie aan het voorbeeld van de psychoanalytici en wat me inspireerde tot deze hele uiteenzetting. Ze doen moeite om een nieuw gegeven te verklaren binnen hun voorgegeven theorie, of dat nieuwe gegeven zich nu makkelijk laat invoegen of niet, en in het volle besef dat het maar een model is … omdat ze een vertrouwen hebben dat hun idee de waarheid benadert. Zo opgevat is dat een soort bescheidenheid dat mij wel aanstaat, al ben ik in het algemeen geen grote fan van de psychoanalyse, of ruimer, van de continentale filosofie die na Freud in dezelfde trant is beginnen filosoferen.

——-

Ik las vandaag in Knack van 10 augustus de volgende uitspraak van Hans Küng, als antwoord op de vraag: “Wat zegt u tot degenen die niet geloven?”

Waarom zou er geen oneindige werkelijkheid bestaan, van waaruit alle eindige dingen hun verklaring vinden, zelfs het evolutieproces? Waarom zou ons bestaan moeten eindigen in het niets? Wij zijn nu eenmaal op de wereld – wellicht belanden we stervend in een niets, maar wellicht ook in een laatste werkelijkheid, in de reële dimensie oneindigheid, voorbij ruimte en tijd, de eeuwigheid. Ik ben blij dat ik dat in beredeneerd vertrouwen kan aannemen. Maar zelfs als ik het mis zou hebben, zou ik misschien zinvoller hebben geleefd dan iemand die zegt: ik weet niet waar ik vandaan kom en waar ik naartoe ga, in feite is alles absurd.

Ik ben het aan de ene kant ergens wel eens met hem. Aan de andere kant, als het gaat over de idee dat het geloof nodig zou zijn om misschien zinvoller te leven, dan heb ik exact dezelfde bedenking als de bedenking die ik ook heb bij sommige verdedigers van de wetenschap. De gelovige zou van de atheïst juist moeten leren hoe men goed kan leven, zelfs al is er geen eeuwigheid na de dood, zelfs al is dit leven alles wat er is. Het ideaal van de gelovige, of liever mijn ideaal van de gelovige omvat én het geloof, én het zich er niet aan vastklampen, net zoals mijn ideaal van de wetenschapper én de wetenschappelijke methode omvat, én de niet al te krampachtige, bescheiden houding.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s