Charlie Hebdo: reacties en recuperaties

Je kan zo denken:

De wereldwijde reacties op de aanslagen in Parijs maken vooral duidelijk dat niemand weet hoe erop te reageren. Zeker, mensen willen reageren, en wel massaal, onmiddellijk, onvoorwaardelijk. Maar de bestaande patronen leveren alleen hoe, niet wat, leveren alleen vormen, geen zinvolle inhoud. Om moedeloos van te worden.

Tegelijk weten de extreemrechtse figuren van Frankrijk en daarbuiten wel hoe ze moeten reageren, en hoe ze uit de aanslagen zelfs in zekere mate munt kunnen slaan. En zo zullen we er op het volgende familiefeest of aan de volgende cafétoog maar moeilijk aan kunnen ontsnappen de uitspraken naverteld te horen worden die nu door deze figuren zo ijverig de wereld ingestuurd worden. Om wanhopig van te worden.

Maar je kan ook zo denken:

De mensen die nu allemaal Charlie zijn hebben zelf gereageerd, zelf de blik naar binnen gericht en uitdrukking gegeven aan wat ze daar zagen. Waarschijnlijk hebben ze niet stilgestaan bij de inhoud en de betekenis van “je suis Charlie,” waarschijnlijk hebben ze die enkel overgenomen – maar de intentie was duidelijk. Iedere afzonderlijke tweet was een bewuste keuze om duidelijk te maken: ook ik wil het signaal geven dat ik datzelfde gevoeld heb, waarvan ik denk dat mijn medemensen het ook voelen.

Hetgeen ik op het volgende familiefeest of aan de volgende cafétoog zal horen is volledig anders van aard. Hier zal het de van alle ziel ontblote inhoud zijn die overgenomen is, niet de intentie. Onze extreemrechtse of met extreemrechts flirtende figuren zeggen iets en het wordt nagepraat; zo gaat het altijd. Als de mensen eerst zelf zouden opschrijven wat ze van het nieuws dachten, zou dat waarschijnlijk slechts één van de tien keren overeenstemmen met wat onze Le Pen-equivalenten er nadien over zeggen, maar het doet er niet toe; ze wachten tot ze het te horen krijgen en besluiten dan pas dat ze het er al heel hun leven mee eens zijn. Het zal hier de inhoud zijn die gekopieerd wordt, en wel zo dat er nauwelijks sprake is van enige intentie, enige inkeer in de ziel, enig signaal dat men zelf iets heeft waargenomen en daardoor geraakt is.

Juist omdat de spontane je suis Charlie-campagne zo onbeholpen en ondoordacht was is het contrast zo duidelijk met de pas maar goed op voor de Islam-campagne die ons nog te wachten staat. De laatste is heel goed beredeneerd en is in haar diepste wortels gestoeld op tweedracht. De eerste is volstrekt zinloos, maar wel gebaseerd op wat mensen zelf denken en voelen, en is gericht op eendracht (een ideaal van, een hoop op, een droom van eendracht).

Antroposofie en wetenschappelijkheid

Ik ben van mening veranderd over de vraag of je de antroposofie wetenschappelijk kan noemen. In mijn masterthesis heb ik verdedigd dat de antroposofie inderdaad wetenschappelijk is, tenminste als je de antroposofie definieert als de wereldbeschouwing van Steiner zoals die naar voren komt uit zijn geschreven werk.
Nu zou ik verdedigen dat wetenschap niet meer precies hetzelfde betekent als in de tijd van Steiner en dat het daarom moeilijk is om zijn wereldbeschouwing wetenschappelijk te noemen. Wel kan je beslist aantonen dat Steiner in zijn tijd geldige redenen had om te vinden dat men de wetenschappelijkheid van de antroposofie moest toegeven. Maar de term wetenschappelijkheid zelf is van betekenis veranderd en die betekenis laat nauwelijks nog toe antropofofie eronder te rubriceren.

Poging om duidelijkheid te vinden

De poetsvrouw werkt in de firma. De firma krijgt een nieuwe directeur. De directeur maakt de firma efficiënter. De poetsvrouw moet een beetje meer poetsen in een beetje minder tijd. – De firma krijgt een nieuwe directeur. De directeur maakt de firma nog efficiënter. De poetsvrouw moet nog een beetje meer poetsen in nog een beetje minder tijd. – De firma krijgt alweer een nieuwe directeur … enzoverder

De vraag is niet: “Is er een limiet?” (Natuurlijk is er een limiet. Zoals je ook een kind van vijf jaar in drie talen kan leren lezen en schrijven, maar een kind van één jaar niet.) Ook niet: “Waar ligt de limiet?” (Om die vraag te beantwoorden volstaat waarschijnlijk een trip naar een land als Bangledesh, waar de domme vakbonden niet zoveel macht hebben.) De vraag is: “Hoe kan dit een voorbeeld zijn van gezonde economie, zoals je tegenwoordig overal hoort?”

(En het antwoord is misschien: “Dit is wel degelijk een voorbeeld van gezonde economie, maar op een bepaald moment in zijn expansie stoot de sfeer van de gezonde economie op de sfeer van het morele. Net zoals de sfeer van mijn vrijheid als individu ook op een bepaald moment stoot op de sfeer van het morele, zodanig dat ik verantwoordelijk gehouden word als ik bijvoorbeeld een auto steel.” Andere antwoorden?)

wetenschappelijk en manifest wereldbeeld

In 1962 introduceerde Wilfrid Sellars het idee dat het wetenschappelijke wereldbeeld en het niet-wetenschappelijke wereldbeeld niet alleen anders naar de wereld kijken, maar ook gedoemd zijn om anders naar de wereld te kijken. Zijn onderscheiding tussen scientific image en manifest image werd snel invloedrijk. “Hoe gaan we om met de schijnbare of reële onverzoenbaarheid van enerzijds de wereld bekeken vanuit een wetenschappelijke blik en anderzijds de wereld zoals die zich in het normale leven aan ons voordoet?” De vraag is een hele filosofische subdiscipline op zichzelf geworden, de philosophy of mind. Niet alleen door Sellars, wel mede door Sellars en omstreeks dezelfde tijd.

Een halve eeuw vroeger was er een periode waarin het wetenschappelijke wereldbeeld verschillende revoluties doormaakte. Het geloof in ether werd opgegeven, Mach en Einstein braken doorheen de kaders van de oude paradigma’s.

Hoe interessant zou het geweest zijn als er aan het begin van de twintigste eeuw al iemand met het idee van wetenschappelijk en manifest wereldbeeld op de proppen gekomen was en als dat op ongeveer dezelfde manier invloed gewonnen zou hebben als in het geval van Sellars. Dan zou de situatie niet geweest zijn zoals in 1962, dat er een bewustzijn was van de onverzoenlijkheid van de wereldbeelden, maar dat het wetenschappelijke wereldbeeld al zo vast stond, en ook niet zoals vijftig jaar daarvoor, dat het volop in beweging was, maar dat bewustzijn van de onverzoenlijkheid nog ontbrak.

Nog over economie en maatschappij

4

In het laatste puntje van mijn post van gisteren probeerde ik mijn perplexiteit te verwoorden over een lezersreactie op het recente artikel van Niels De Rudder in Knack. Een andere manier om te pogen deze reactie in een kader te plaatsen waarin hij als zinvol verschijnt, is hem naast een aantal andere uitspraken over hetzelfde thema te leggen. Het is een experiment, maar ik wil het proberen.

Het thema heeft iets te maken met een heimwee naar een vroeger tijdstip, toen de mensen nog een fierder karakter hadden, en het heeft ook iets te maken met trots. Ik wil zonder verdere commentaar twee citaten geven die ongeveer hetzelfde thema op het oog hebben.

Eerste citaat, Pim Fortuyn tijdens zijn inauguratiespeech bij Leefbaar Nederland:

Weg met het subsidiesocialisme. Het heeft ertoe geleid dat miljoenen mensen aan de kant staan en niet meer weten hoe plezierig het is om iets te ondernemen. Weg bij dat loket, want daar krijg je wel je geld, maar moet je ook je ziel inleveren

Tweede en langere citaat, Rudolf Steiner die een voordracht van Johannes Volkelt over Immanuel Kant bespreekt.*

[…] Wir wollen von einer Tatsache ausgehen, die vielen, die in den siebziger Jahren in Wien studiert haben, noch in lebhafter Erinnerung sein wird. Am 10. März 1875 hielt im “Leseverein der deutschen Studenten Wiens” Johannes Volkelt, ein damals 27-jähriger Gelehrter, einen Vortrag, der geradezu als der bedeutsamste Beitrag zur Kulturgeschichte der Gegenwart angesehen werden muss. […]

Volkelt mißt in diesem Vortrage unsere Zeit an dem hohen, tief aus dem Wesen des deutschen Volkes geholten Sittlichkeitsbegriff Kants. Kant macht die Sittlichkeit einer Handlung einzig und allein von der Gesinnung abhängig, aus der sie hervorgegangen ist. Eine Handlung, die allen bestehenden Gesetzen entspricht, die der Mit- und Nachwelt von unabsehbarem Nutzen ist, ist doch nicht sittlich, wenn sie nicht aus der guten Gesinnung ihres Urhebers fließt. Wenn zwei dasselbe tun, der eine aus Egoismus, der andere aus Pflicht, so handelt der erste unsittlich, der zweite sittlich. Volkelt fragt nun: Wie stellt sich unsere Zeit zu diesen Anschauungen des Königsberger Weisen. Er kommt zu einer traurigen Antwort. Es scheint die Ansicht fast allgemein geworden zu sein: mit der moralischen Gesinnung kommt man nicht weiter, man baut mit ihr keine Eisenbahnen, man gründet mit ihr keine industriellen Unternehmungen. Man glaubt, der Moral genug getan zu haben, wenn man mit dem Strafgesetz in keinen Konflikt gerät. Im Herzen gut sein, das hält man für ein Vorurteil, das man den Kindern in der Schule wohl vormachen muss, womit sich aber im Leben nichts anfangen lässt. Es gibt heute Kreise, die Lebensformen angenommen haben, die in ihrer Wurzel unsittlich sind. “Mir scheint”, sagt Volkelt, “dass kaum ein Ausdruck das sittliche Leben unserer Zeit so treffend charakterisiert als das Wort ‘bequem‘. Kühle Laxheit, vornehme Bequemlichkeit gehört zum guten Tone.”

Es gab eine Zeit, wo der Mensch das Geringste, das er zu seinem Unterhalte brauchte, der Natur abringen musste. Harte Arbeit, einen Kampf im wahrsten Sinne des Wortes musste er führen, um sein Dasein zu fristen. Heute ist das anders geworden. Das Bezwingen der Natur ist uns leicht. Wir haben Maschinen und Werkzeuge, die das verrichten, was unsere Vorfahren mit eigener Hand tun mussten. Wir erkennen natürlich wie jeder vernünftige Mensch darinnen einen Fortschritt. Wir verkennen aber auch nicht, dass gerade dieser Fortschritt Hand in Hand geht mit einem Verfall der Charaktere, Tüchtigkeit der Gesittung. Die Mühe und Arbeit, die ehedem der Mensch verrichten musste, um der Natur seinen Lebensunterhalt abzuringen, waren für ihn eine hohe Schule der Sittlichkeit. Heute brauchen wir nur die Hand zu rühren, und der ganze gesellschaftliche Apparat funktioniert, unsere Bedürfnisse zu befriedigen. Das hat zur Folge, dass sich die letzteren bis zur Übertriebenheit steigern, dass der Mensch die Lust verliert, den geraden und harten Weg der Pflicht zu gehen, und dafür lieber den leichten der Bequemlichkeit wandelt. Daraus geht eine Lähmung der persönlichen Charakterfestigkeit, der Arbeitstüchtigkeit hervor.

Ein großer Teil unserer Gesellschaft leidet an Marklosigkeit und Knochenerweichung in geistiger Beziehung.

“Wir leben in einer Zeit allgemeiner Auspolsterung”, sagt Volkelt treffend, und fügt hinzu: “Wie sehr ich recht habe, erfahren Sie, wenn Sie sich in Ihrem ‘comfortabel’ eingerichteten Zimmer umsehen, wenn Sie einen Gang durch die Straßen tun, wenn Sie eine Reise unternehmen. Selbst die fernsten Gebirgstäler sind vor Eisenbahnen und dem modernen Hotelwesen nicht mehr sicher. Sie erfahren es, so oft Sie sich in einem Wirtshaus von den glatt gekämmten Kellnern, diesen poesielosen Maschinen, bedienen lassen; so oft Sie auf spiegelblankem Salonboden in Frack und Handschuhen sich zu bewegen haben. Sie erfahren es bei jedem Rechtshandel, in den Sie etwa geraten, bei dem einfachsten Geschäfte, das Sie abwickeln sollen. Selbst der Krieg trägt heutzutage den unpersönlichen, prompten Maschinencharakter.” Das ist eben die Zeit, in der es wenige gibt, die ein ideales Ziel im Auge haben und, ohne Seitenblicke nach rechts oder links, rücksichtslos auf dasselbe zusteuern; nein, wo nur jeder sich dem blinden Treiben der Welt überlässt und, mit Glück und Leben ein frivoles Spiel treibend, sich aus der gesellschaftlichen Maschine so viel herauszuschlagen bemüht ist, als eben geht. Überall wird das Bequeme jenem vorgezogen, zu dem ein Einsetzen der ganzen Persönlichkeit gehört. Wer liest heute ein systematisches Buch, das Denkerfleiß in jahrelanger Arbeit zustande gebracht. Nein, man liebt es, aus ‘elegant’ geschriebenen Feuilletons oder aus ‘populären’, das ist seichten Vorträgen Notiz von den zeitbewegenden Fragen zu nehmen. Jenes ist eben mühsam und erfordert strammes Denken, dieses ist bequem. Im Theater wird das leichteste, gemeinste, ja blödsinnigste Zeug dem Publikum geboten. Es nippt mit Behagen daran, denn der Genuss eines Höheren erfordert auch geistige Anstrengung. Das politische Parteileben liefert überall nur Halbheit, Opportunität zutage. Fast niemand findet sich, der ein aufrichtiges, rücksichtsloses “Das will ich!” vernehmen lässt.

Die Festigkeit des Charakters ist in dem taumelhaften Genussleben untergegangen. Allen denen nun, die von dem bösen Geist unserer Zeit angefressen sind, empfiehlt Volkelt das Lesen der Kantschen Schriften. Denn sie sind eine Schule für den Charakterschwachen. […]

 

* Steiner, Rudolf, ‘Johannes Volkelt. Ein Deutscher Denker der Gegenwart’. In: Steiner, Rudolf, Methodische Grundlagen der Anthroposophie, 1884-1901. Gesammelte Aufsätze zur Philosophie, Naturwissenschaft, Ästhetik und Seelenkunde. Dornach, Verlag der Rudolf Steiner-Nachlassverwaltung (GA 30), 1961, pp 246-252.

Enkele half aan elkaar hangende gedachten over economie en maatschappij

1

“Wat goed is voor de economie is ook goed voor de maatschappij.”

Over die stelling kan je eindeloos discussiëren. Het lijkt ook alsof er meer over gediscussieerd wordt, en daar kan men maar blij om zijn. Misschien krijgen we zo toch nog de verandering waar veel mensen op gehoopt hebben toen ze bij de laatste verkiezing hun stem uitbrachten.

Dit artikel heb ik een paar jaren geleden gebookmarkt omdat het niet alleen voorspelbaar de bovenstaande stelling bijtreedt maar hem tegelijk ook op een onverwacht heldere manier weerlegt. Ik citeer eerst de weerlegging:

Het manifest [een occupy-manifest] benoemt de ‘prioriteiten’ die elke ‘ontwikkelde samenleving’ zou moeten stellen: gelijkheid, vooruitgang, solidariteit, vrijheid, duurzaamheid en ontwikkeling, welvaart en welzijn voor de bevolking.

Wat is hier verkeerd aan? Het rijtje bevat zo’n beetje alles wat een mens zich zou kunnen wensen. Dit steekt temeer daar een aantal doelen tegenstrijdig is. In een samenleving als Nederland meer gelijkheid nastreven? Prima, maar dat gaat dan ten koste van de welvaart. Meer solidariteit? Prima, maar dat gaat dan op veel terreinen wel ten koste van vrijheid. Meer duurzaamheid kan botsen met vrijheid en welvaart. Et cetera. Het manifest kiest geen prioriteiten. Het leeft in sprookjesland.

Als je de economie stimuleert om zo meer welvaart te creëren, zo vindt de auteur, dan moet je erbij nemen dat dit in minder gelijkheid zal resulteren. Op dezelfde manier staat welvaart door economische vooruitgang ook in de weg van meer duurzaamheid. Welvaart, en daarmee bedoelt hij welvaart als gevolg van economische maatregelen, is dus niet zonder meer goed voor de maatschappij.

Tegelijk zegt de auteur enkele regels verder:

Er is van alles in te brengen tegen de markteconomieën. Maar als er nou één ding is waar je ze niet van kan beschuldigen, dan is het dat er geen welvaart wordt gecreëerd.

Daarmee betoogt hij dat een goed draaiende economie wel degelijk de maatschappij ten goede komt.

Als ik het een artikel vind dat het waard is om te citeren, dan is dat omdat de mening die erin verdedigd wordt mij representatief lijkt voor hoe veel mensen over economie en maatschappij denken.

2

Maar hoe geraak je verder van deze mening naar een productief beginpunt dat ook voelt alsof het een beetje vaste grond onder de voeten heeft? Misschien door op het volgende te wijzen. Als er geen link was tussen goed voor de economie en goed voor de samenleving, dan zou de politiek geen economische maatregelen nemen en denken dat ze daardoor het beste bewerkstelligde voor de samenleving als geheel. Kijk naar de grote economische verhalen. Het neoliberalisme zegt niet: “Ons systeem is slechts voor een deel van de mensen voordelig.” Het zegt: “Ons systeem is het systeem waarin iedereen er het beste af is.” Als dat niet zo zou zijn, zou geen politicus het neoliberalisme kunnen verdedigen, want dan zou hij expliciet voor een onrechtvaardige maatschappij zijn.

Of kijk naar de reële economische principes. De uitvinding van de lopende band was een uitvinding die de maatschappij ten goede is gekomen. Ha ja, want daardoor besteedt de maatschappij als geheel minder tijd aan productie. Hetzelfde voor automatisering door techniek. Die kan men als men wil altijd verdedigen in naam van de maatschappij, door er simpleweg op te wijzen dat ze de maatschappij als geheel tijd en moeite bespaart.

De bovenstaande voorbeelden belichten alleen de pro-business kant van de zaak. Maar voor de andere ideologieën geldt hetzelfde. Stakers staken niet uitsluitend voor zichzelf. Ze willen ook een maatschappij die voor iedereen rechtvaardig is. Ze willen ook de best mogelijke maatschappij voor hun kinderen.

Het blijkt in de praktijk zo te zijn dat bijna alle grote verhalen over hoe een maatschappij geregeld moet worden over maatschappijen gaan die goed zijn voor iedereen. Misschien is dat er niet altijd even duidelijk uit naar boven te halen, maar het zit er wel in. Om even een extreem voorbeeld te geven: als de huidige regering “95 procent van de inkomens uit arbeid en vermogen in de portemonnee gaat zoeken van wie werkt en loon verdient en zo goed als niets in die van wie renteniert en slapend verder rijk mag worden,” om Yves Desmet even te parafraseren – dan zou zij zich niettemin geroepen voelen om te verdedigen dat dat de koers is die de maatschappij als geheel het meest ten goede komt. Ook voor de economisch meest kwetsbare mensen is die situatie het best, waarin een klein percentage van de mensen slapend rijk worden, of de alternatieven zijn alleszins toch minder goed. En deze absurd klinkende positie kan inderdaad ook verdedigd worden. Men kan zeggen dat het een schijn is, maar de schijn kan niet opgegeven worden.

3

Zeer to the point vond ik het artikel van Niels De Rudder waarin hij over de advertentie van Voka Limburg schrijft in het enig mogelijke register waarin je over een dergelijke advertentie kan schrijven. Nog leerrijker waren de commentaren op de website van Knack. Een hele rij mensen verwoordden hun versie van de kinderbrief, waarbij iedereen zijn eigen maatschappijvisie liet doorklinken. Maar bijna iedereen, onafhankelijk van rechts of links, maakte zich zorgen over de maatschappij die de volgende generatie zou aantreffen. Of het nu rechtse of linkse maatregelen waren die zij meer of minder subtiel in de mond van hun kinderen legden, het idee was telkens dat het alleen die maatregelen zouden zijn die nog een paar laatste decennia van welvaart uit het versleten project van een modern Europa zouden kunnen persen.

Er was echter één brief die van de andere afweek. Ik citeer:

Liefste mama en papa, ik wil jullie een briefje schrijven. Ik lig in mijn bedje en ween zo stilletjes mogelijk. Ik kan boos zijn op jullie, maar ik ben het niet. Ik had ook graag Nutella op mijn stutjes gehad, maar ik kreeg gewone chocopasta omdat jullie wilden sparen. Ik had ook graag op reis geweest, maar het kon niet elk jaar omdat jullie spaarden. Jullie spaarden en gingen naar de bank voor jullie droom. Samen een bedrijfje oprichten. Jullie sprokkelden al jullie spaarcentjes samen met het extra geld van de bank kochten een hangaartje en jullie begonnen. Jullie waren bijna nooit thuis. Papa altijd vroeg weg en kwam me altijd, als ik al sliep, een nachtzoen geven. Mama kon me naar school brengen, maar moest daarna in de creche blijven of naar oma en opa en mocht er blijven tot mama me laat kwam halen. In het weekend was papa ook altijd aan het werk, mama zat dan aan de computer om nog wat administratie te doen of deed de was en de plas. Jullie bedrijfje groeide. Er moesten mensen komen werken. Iedereen geloofde erin en jullie groeiden nog een beetje. Er kwamen nog mensen werken. Het was leuk, de mensen die kwamen werken hadden ook kindjes en we konden samen spelen. Er was ieder jaar een feestje voor iedereen die kwam werken met hun familie. We waren één grote familie. Maar toen kwamen plots die meneren van de vakbond. Die kwamen zeggen wat jullie moesten doen in jullie bedrijfje. Ze kwamen met dreigementen. Het was niet leuk meer omdat iedereen die bij ons werkte allen aan één kant stond. Buiten die ene gedelegeerde meneer van de vakbond. Die was altijd tegen iets en moest altijd alles verpesten. Het werd niet leuk meer. Maar ik ben trots mama en papa. Trots dat jullie met jullie doorzettingsvermogen en van nul begonnen een mooi bedrijf hebben uit de grond gestampt. Ik ben fier dat iedereen bij ons met plezier komt werken en met fierheid zet ik jullie levensdroom verder. Ik had gehoopt mama en papa, dat jullie nog mochten genieten van jullie ‘oude dag’. Genieten van wat jullie hebben bereikt. Maar het mocht niet zijn. Jullie zijn beiden te vroeg gestorven door ziekte. Mama en papa, bedankt voor alles en het ga jullie goed. Dit is een eerlijk en waar gebeurd stukje.

Het was waarschijnlijk de eerlijkste onder de brieven, maar tevens degene waarvan ik niet weet hoe ik haar moet interpreteren. Wordt hier een norm vooropgesteld van hoe een goed leven eruitziet? Ik neem aan dat het levensplezier niet uitsluitend gereserveerd was voor de oude dag, maar was het contact met de kinderen dat wel? Is het volledig ondenkbaar dat een vakbond ingrijpt, of is elke limiet die gesteld wordt aan wat men van zijn werknemers mag verlangen bij voorbaat onredelijk?

Ik krijg de indruk dat het in essentie gaat om doorzetten en van nul beginnen. Ik zou ook zeer trots zijn als mijn ouders van nul iets uit de grond gestampt hadden. Maar dit proclameren als model voor hoe we allemaal zouden moeten leven is toch merkwaardig. En nochtans is dat wat de schrijver schijnt te willen doen. Een Vlaanderen waarin het de norm is dat je, als je tijd hebt voor je kinderen, niet hard genoeg werkt. Daar kan ik mij al minder in vinden, hoe oprecht bewonderenswaardig ik het onder omstandigheden ook kan vinden als het uit vrije keuze gebeurt.

Ik kan het draaien en keren hoe ik wil, ik vind er niets in terug dat lijkt op een ideaal van een moderne maatschappij die voor iedereen goed is. Het lijkt eerder op een in wezen zinvolle maatschappijvisie, die echter zodanig verengd is dat ze tot een idee-fixe is verworden.

Racisme (3) een apologie

De post van vandaag gaat niet echt over iets (behalve over mezelf) en heeft niet echt een conclusie of resultaat. Mijn excuses, ik schijn beland te zijn in precies de situatie waar mijn gevoel mij voor waarschuwde dat ik erin ging belanden toen ik op het idee kwam mij te wagen aan het thema racisme. Hier gaat-ie.

Iemand wordt in een volle tram lastiggevallen omwille van zijn huidskleur en niemand komt tussenbeide. Dat was het voorbeeld dat ik in twee eerdere posts besprak in een poging om aan te tonen dat de stelling “elke blanke Vlaming is een racist” waar kan zijn als je de zaak vanuit een bepaald standpunt bekijkt (hier en hier). Twee lezers hebben me erop attent gemaakt dat het voorbeeld niet helemaal effectief is. Ik geloof echter dat het punt overeind moet kunnen blijven. Het komt er in feite alleen op aan een beter voorbeeld te vinden.

Wat ik wil verdedigen heeft een dubbel aspect. Het gaat enerzijds om een feitelijke toestand en anderzijds om een manier om die te benoemen. De toestand is datgene waar we het allemaal over eens zijn, namelijk hoe wij ons gedragen jegens mensen met een andere huidskleur. Er is geen discussie over de conclusies van gevoerde onderzoeken. Er is geen discussie over feiten die iedereen kan observeren. Het is de manier om die te benoemen waarover er discussie bestaat (en dat is trouwens ook niet meer dan natuurlijk). Noem je het discriminatie of toeval, wanneer blijkt dat iemand met een andere huidskleur met hetzelfde cv twee keer vaker moet solliciteren alvorens een job te vinden? Noem je het racistisch geweld of assertief optreden wanneer je iemand met een donkere huidskleur ziet lastiggevallen worden in een volle tram? Noem je het een schaamtelijk of een onschuldig incident? Je kan het verschillende namen geven als je wil, of je kan er ook van afzien het een naam te geven. Het enige dat ik wil verdedigen is dat je de hele zaak ook op een zodanige manier kunt bekijken dat je zegt: alle blanke Vlamingen zijn racisten.

Ik heb een reden om dat te willen. De reden is dat ik Bart De Wever en Liesbeth Homans hoor zeggen dat racisme vaak onterecht als excuus wordt ingeroepen door niet-blanken en dat dit een ernstig probleem is. Als ze dat een enkele keer zouden zeggen, bijvoorbeeld als antwoord op een heel gerichte vraag, dat zou ik het gemakkelijk aan mij voorbij kunnen laten gaan. Maar ik kan tegenwoordig bijna geen portie nieuws tot mij nemen zonder dat De Wever of Homans het nog eens ongevraagd herhalen, en elke keer ze dat doen draait mijn maag een klein beetje meer om. Het komt voornamelijk in die ene variant, namelijk “racisme wordt vaak als excuus gebruikt”, maar er is ook de andere variant, namelijk “wij gaan niet akkoord met de stelling dat Vlamingen allemaal racisten zijn,” een stelling die ook uitsluitend ongevraagd geïntroduceerd is als figment om zich tegen af te zetten.

Dit is nu een manier om de situatie te interpreteren, en situaties interpreteren is iedereen zijn goed recht. Als je wil dat de mensen je interpretatie slikken is het alleen wenselijk dat je interpretatie vanuit een bepaald standpunt aannemelijk is. En dat is hier ook inderddad het geval. Denk je het standpunt in van iemand die een aantal niet blanken om zich heen heeft die de gewoonte hebben om jou op een onredelijke manier van racisme te beschuldigen, wat dat verder ook mag inhouden. Vanuit dat standpunt is De Wevers en Homans’ interpretatie aannemelijk. Nu was mijn idee om ook eens de voorwaarden te creëren waaronder de omgekeerde interpretatie aannemelijk wordt, namelijk “de beschuldiging van racisme is altijd terecht omdat alle blanke Vlamingen racisten zijn.” Voor mij spreekt het vanzelf dat er een standpunt moet bestaan van waaruit bekeken dit aannemelijk en daarbij ook nog eens correct is, want ik geloof dat je voor gelijk welke zaak de twee kanten kan beargumenteren. In dit geval is het door De Wever beargumenteerde standpunt alleen erg radicaal (om niet te zeggen belachelijk radicaal en ongeïnformeerd). Goed, dan moet het omgekeerde standpunt maar even radicaal zijn. Het komt er alleen op aan het te vinden.

Dat was de inzet, mijn verlangen naar een beetje symmetrie. Maar het voorbeeld dat ik gaf was inderdaad te haastig. Wat met het verschil tussen de ene tramreiziger die niet ingrijpt omdat hij echt vindt dat zwarte mensen minderwaardig zijn en de andere tramreiziger die niet ingrijpt uit pure onverschilligheid? Wat met mensen die niet ingrijpen wanneer er een blank iemand gepest wordt? Moeten die ook pesters worden genoemd? En indien niet, waarom zou je hen dan wel racisten moeten noemen wanneer het een zwart iemand is die gepest wordt? Daar is misschien iets voor te zeggen aangezien racisme op een andere manier een maatschappelijk probleem is dan pasten, maar dan volgt er alleen maar uit dat het voorbeeld slecht gekozen is.

Wat is een beter voorbeeld? Ik heb het schrijven van deze vervolgpost op de twee vorige posts een paar dagen uitgesteld, omdat ik gedacht had dat ik er tegen dan wel een gevonden zou hebben. Maar voorlopig vind ik alleen voorbeelden die te gezocht zijn, en daarom heb ik het er in deze post alleen over gehad waarom ik er graag een zou vinden en wat er daarbij op het spel staat.