René de dromeneliminativist

Het thema van het scepticisme heeft me altijd geïnteresseerd. Ik ben er ook op ingegaan in mijn thesis voor filosofie. Nochtans werd daar voor gewaarschuwd. Het was een gemeenplaats dat je als student niet aan deze neiging moest toegeven, er waren immers al “bibliotheken over volgeschreven.” Eigenlijk werd daarmee alleen gezegd dat je over de grootste vragen toch niets nieuws kon zeggen, en dat maakte op mij altijd een onfilosofische indruk. Alsof je beter een thesis schreef over iets waar nog geen bibliotheken over volgeschreven waren, een filosofie van de sport of een filosofie van het downloaden. Daarmee zou de diepgang van je werk even groot zijn als wanneer je over het scepticisme had geschreven, maar inplaats van iets te schrijven wat professor x al geschreven had zou je iets schrijven wat professor x al geschreven zou hebben, indien professor x de filosofie van de sport een interessant onderwerp gevonden had. Dat begreep ik niet. Als de overtuiging was dat je alleen iets kon zeggen wat al gezegd was, waarom moest je dan nog een thesis schrijven? Ik begrijp wel waar die overtuiging vandaankomt. Je leert als filosoof je blik te scholen voor hoe posities berusten op vooronderstellingen, basisuitgangspunten, intuïties uit de wetenschap en de common sense. Dan is de extrapolatie snel gemaakt: er zijn maar zoveel zinvolle beginposities en op elke beginpositie kan je maar zoveel gedachtebouwwerken oprichten. Maar ik blijf erbij dat dit alleen de juiste houding is voor alle andere wetenschappelijke domeinen; in de filosofie moet niet op de van elders gehaalde fundamenten gebouwd worden, maar moet er onophoudelijk gezocht worden naar fouten in de fundamenten. De telos van de filosofie is het vinden van de best mogelijke fundamenten.

Enekel weken geleden dacht ik aan een nieuwe positie in de discussie over kennis en hoe die te funderen. Zonder verdere introductie: hoe weten we zeker dat we dromen?

Een vraag waar ik altijd opnieuw bij uitkom is: waarom zouden we überhaupt het schijnbare feit van de kennis wantrouwen? Vaak zie ik daar geen echt overtuigende reden voor, meestal op het moment dat ik lang over epistemologie heb nagedacht en tot de conclusie ben gekomen dat er goede redenen zijn om de menselijke kennis wel degelijk te vertrouwen. Maar er is altijd nog het knagende idee: is het dan niet mogelijk dat, op een of andere manier, het geheel van de kennis op een of andere manier fout is (je kan die vraag alleen maar vaag formuleren, zodra je de vraag concreet maakt doemen er concrete oplossingen op). Meestal leiden mijn gedachten me vervolgens naar Descartes. Hij was het die de simpele verwondering formuleerde dat onze schijnbare kennis zoals een droom zou kunnen zijn.

Maar wat als Descartes nu hier zou zijn en zou zien wat hij aangericht had? Veel goeds, ongetwijfeld, maar zou dat ook zijn overheersende gevoel zijn? Je bent Descartes en je hebt deze wereld verlaten in de veronderstelling dat je het probleem van de kennis min of meer proper hebt opgelost. Ondertussen hebben ze je vraagstellingen oneindig verfijnd. Veel van wat jij, zoals je nu moet onderkennen, onkritisch hebt aangenomen is vervangen door meer genuanceerde ideeën. Je uiteindelijke conclusie is al lang verworpen, en sindsdien hebben generaties filosofen andere conclusies geformuleerd, waarvan de meeste ook verworpen zijn. Telkens iemand geloofde dat hij de kennis op een bevredigend fundament gesteld had, kwamen er anderen na hem die hun redenen hadden om hem niet te geloven. Vaak waren die redenen jouw schuld. Vaak hoefden de critici niets anders te doen dan te zeggen: o, het is een heel genuanceerde theorie, maar ik geloof er niet in want wat als dit alles een droom is?

Toch zie jij iets wat de anderen niet zien. De anderen zijn verstrikt in hun theorieën, en zien alle nuances als redenen om het geloof in de kennis op te geven. Jij hebt de luxe om het vanop een afstand te kunnen bekijken. Hoe kan het zijn dat gedetailleerdere kennis over de kennis, over het bewustzijn, over de taal, over ons waarnemingsapparaat enzoverder leidt tot deze vreemde apathische geestesgesteldheid? Meer informatie kan toch alleen leiden tot het ontsluieren van de mysteries! En zo ga je aan het werk. Je hebt iets goed te maken.

Je bent er snel mee klaar, want het is eigenlijk eenvoudig. Je hoeft alleen dat ene ding recht te zetten dat je zelf in de wereld hebt gebracht. Omdat je de dingen met wat meer overzicht kunt bekijken, valt het niet zo zwaar.

Kijk, zeg je in je allernieuwste meditatie, we hebben zoveel filosofische, psychologische en wetenschappelijke onderzoeksresultaten over onze kennis. Die zijn goed gefundeerd en voor zover ze goed gefundeerd zijn wil ik er niet aan tornen. Binnen het kader dat door deze informatie gevormd wordt is het mogelijk een bevredigende uitleg over de kennis te geven, wellicht zelfs meer dan een uitleg. Alleen zijn deze verklaringen niet immuun voor het argument van de droom. Maar laten we het eens van de andere kant bekijken. Dit kader is gevormd door onderzoek naar de kennis. Dit onderzoek is ontstaan door te kijken naar onze kennis, steeds gedetailleerder en gedetailleerder. Het is een articulatie van wat we kunnen observeren aan onze kennis, ons bewustzijn, onze taal, ons gedrag, onze cultuur, onze logica enzoverder. Het kader zegt alles wat we weten over onze kennis en kan in principe niet in tegenspraak zijn met onze kennis. Zegt het echter iets over onze dromen? Nee, het is gebaseerd op ons wakkerzijn. Binnen het genuanceerde kader kunnen we zelfs niet weten of we dromen. We kunnen niet eens weten wat voor een ding een droom is. Het is een woord zonder betekenis. De droom is een laatste onkritisch aangenomen element. Laten we dus ophouden het onkritisch aan te nemen!

Ziedaar de ware gedaante van het droomargument. In zijn ware gedaante betekent het niet meer dan dat: veronderstel een scenario dat geen enkele plausibiliteit heeft en geen enkel logisch verband met de werkelijkheid, hieruit volgt dat onze kennis fout is. Het droomargument beantwoordt is niet plausibel en heeft geen logisch verband met de werkelijkheid. Dus het droomargument hoort naast de miljoenen andere implausibele en onlogische scenario’s die in principe denkbaar zijn. De vergissing is te denken dat het een speciale plaats zou hebben.

——-

Het is een punt dat ik in mijn thesis heb willen maken, maar niet zo duidelijk gevat had. Maar het is toch waar, je hebt allerlei soorten eliminativisme, ik geloof dat zelfs kaalheidseliminativisme een legitieme filosofische positie is. Waarom zou je dan geen dromeneliminativist kunnen zijn?

Alleszins hoorde er in mijn thesis ook nog het andere punt bij: je kan ook buiten het kader filosoferen, dat is gewoon een keuze die je kan maken. Dan kan je de droom wel serieus nemen, sterker, dan moet je de droom serieus nemen, en dat leidt er vervolgens toe dat het scepticisme wel een zinvolle positie wordt, waar je filosofisch gezien iets van kan leren.

Nog meer losse ideeën over politiek en economie

Idee nr. 6

Nog over het thema werk. Een van de standaardargumenten voor het invoeren van het basisinkomen is het volgende verhaaltje.

Stel, er is een afgelegen dorp met honderd werkbekwame inwoners. Er is toevallig ook werk voor honderd mensen in het dorp. Iedereen is gelukkig en kan in zijn levensonderhoud voorzien. Nu worden er op een bepaald moment machines ingevoerd. Er is nog steeds evenveel werk dat gedaan moet worden opdat in ieders levensonderhoud voorzien is, maar het werk kan nu door vijfenzeventig mensen gedaan worden. De machines zorgen voor efficiëntere productie van eten, kleren, bouwmaterialen enzoverder. Hoe zal nu het werk verdeeld worden? Een mogelijkheid is natuurlijk het zo in te richten dat iedereen nog maar voor vijfenzeventig procent werkt. Een andere mogelijkheid is het zo in te richten dat nog maar driekwart van de mensen werken, met als gevolg dat het overblijvende kwart geen werk en dus geen loon heeft. De eerste optie is wat de verdedigers van het basisinkomen willen. De tweede optie is onze maatschappij zoals ze nu is, zonder het basisinkomen en met alle problemen die veroorzaakt worden door het toch willen vasthouden aan de bestaande koppeling van werk en verloning.

Ik heb het verhaaltje natuurlijk erg kort samengevat. Ik vind het overigens een goed verhaaltje. Ik vind alleen dat het slechts een illustratie kan zijn. Je moet al openstaan voor de idee van het basisinkomen, die in de praktijk toch vaak blijkt in te druisen tegen diepgewortelde overtuigingen – en dan kan het verhaaltje de zaak verduidelijken. Maar het is eigenlijk niet het argument zelf.

Hoe dan ook, ik bedacht me dat het interessant is om er ook eens de omgekeerde situatie naast te leggen. Die is namelijk even illustratief. Dus als volgt.

Stel, er is een afgelegen dorp met honderd werkbekwame inwoners en er is werk voor honderd mensen. Nu gebeurt het dat er vijfentwintig van de honderd plots gehandicapt worden. Er is nog steeds evenveel werk dat gedaan moet worden opdat in ieders levensonderhoud voorzien is, maar het werk moet gedaan worden door vijfenzeventig procent van de mensen. Eén mogelijkheid om dit te organiseren is dat iedereen van de nog werkbekwame mensen in gelijke mate harder gaat werken en spaarzamer gaat leven. Een andere mogelijkheid is dat een kwart van het werk niet meer gedaan wordt. Wel nog een bakker, maar geen schoenmaker meer. Het eerste geval is hier wel het geval dat we ons spontaan voorstellen (in het eerste verhaaltje was dat niet zo). Het tweede geval is wat er zou gebeuren als het dorp per se zou willen blijven vasthouden aan de bestaande koppeling van werk en verloning.

Dat is meteen een eerste observatie. Door de zaak om te keren, veranderen de intuïties en reflexen. In het scenario met de machines zijn we misschien geneigd te denken: “Mijn gezond verstand zegt dat mensen hun loon moeten verdienen.” Het economische verstaan geeft hier voor het “gezond verstand” de doorslag. In het scenario met de gehandicapten is de neiging misschien eerder: “Mijn gezond verstand zegt er moet gezorgd worden voor de gehandicapten.” Het economische verschuift naar de tweede plaats.

Daarin ligt al de tweede observatie. Door de zaak om te keren zie je dat het hier eigenlijk gaat om twee dimensies. De ene is de economische, de andere is degene waarin het gaat over rechten en plichten. In het geval van de gehandicapten zie je duidelijk wat de verhouding is tussen de twee dimensies. Namelijk: een economische overweging (bijvoorbeeld “men moet zijn loon verdienen”) kan terecht of onterecht kan zijn, maar dat maakt voor de andere dimensie niets uit. Het belang van het feit dat de gehandicapten niet aan hun lot overgelaten kunnen worden, wordt niet ingeperkt door een economisch principe, net zomin als omgekeerd. Het zijn gewoon twee dimensies. Welnu, dit observeren aan het scenario met de gehandicapten, kan een hulp en een aanleiding zijn om het ook te observeren in het scenario met de machines.

——-

Idee nr. 7

Hoe je iets moet beoordelen kan soms afhangen van de tijd waarin het daar is. Wat je nu zou inschatten als goed, als groot, als boven, zou je in het verleden of in de toekomst misschien moeten inschatten als slecht, klein of onder. Dat klinkt abstract, of erger zelfs, haast heideggeriaans in zijn taalgebruik – maar het is een gedachte waar ik soms met ploste klaarheid door getroffen word. Ik passeer bijvoorbeeld elke dag door het stadspark en zie daar de laatste weken vaak een zwerm duiven gewoon op het modderige gras zitten. Op een keer dacht ik: misschien is dit wel een spannend en exotisch zicht, als ik me even verplaats in de situatie van iemand uit het jaar 3000, en de duiven met die bril bekijk. Zo’n gigantische, vliegende dieren, midden in de stad, in het wild! En ik voelde mij even als de eilandbewoner uit vervlogen tijden die het zicht van dodo’s overal om zich heen de gewoonste zaak van de wereld vond.

Of soms sta ik stil bij het feit dat men in het middelbaar een aanzienlijke tijd deel van het curriculum moet spenderen aan de tweede wereldoorlog, en dat een van de dingen die daarbij altijd verteld worden is: “de volgende generaties moeten toch gewaarschuwd zijn voor de gevaren van bewegingen als het nazisme.” Maar het nazisme was toen een legitieme, misschien wel toonaangevende beweging, en kon alleen daardoor de werking uitoefenen die het uitoefende. Men zou de huidige en komende generaties dus moeten waarschuwen voor de gevaren van de heersende bewegingen, stromingen en partijen. Bijvoorbeeld de gevaren van het neoliberalisme, of van het vegetarisme, of van het postmodernisme. Men zou moeten optreden en waarschuwen tegen iets wat brede lagen van de samenleving en dus ook van het sociale weefsel rond de school zonder meer als zinvol en geldig beschouwd wordt. Dat is natuurlijk even onmogelijk als in de jaren dertig in Duitsland een waarschuwing tegen de gevaren van het nazisme op het curriculum hebben staan.

De inleiding is wat overdreven lang voor de vraag die ik wil stellen, namelijk deze: wat is de vorm van staken die voor onze tijd de juiste zou zijn?

Het tijdperk van de opkomende industrie en de bijbehorende sociale misstanden is afgelost door het tijdperk dat we nu meemaken en dat er toch heel wat anders uitziet. Maar door wat moet het staken, dat immers vooral bij dat vroegere tijdperk paste, worden afgelost?

Het is een vraag waar ik al enige tijd mee rondloop, maar ik heb nog geen bevredigend antwoord gevonden.

Eén idee waar ik mee gespeeld heb is een soort van gemoderniseerde variant van de boycot. Als er nu eens een vorm van boycot zou kunnen zijn tegen alles wat ontsproten is aan de huidige economie overal waar die eigenlijk een decadent geworden economie is. Dus geen boycot tegen een land of een politieke idee, maar tegen datgene waar we het meest in zitten zonder er zelf voor gekozen te hebben, zonder eraan te kunnen ontsnappen. En ook niet individu per individu, zoals het op veel plaatsen wel gebeurt (“ik doe niet meer mee aan de wegwerpmaatschappij!”) Maar georganiseerd zoals ook het staken georganiseerd is. Wat ik beschrijf is natuurlijk moeilijk voor te stellen in het algemeen. Maar een concreet en makkelijker voor te stellen voorbeeld is bijvoorbeeld een grootschalige boycot tegen computerprogramma’s, websites en andere ICT-functionaliteiten die een aankruisvakje hebben dat iedereen zomaar aanklikt, daarmee te kennen gevend dat hij akkoord is met de voorwaarden van de producent. Simpelweg niet meer akkoord zijn met de voorwaarden, zelfs al moet men erbij nemen dat men dan misschien geen google en microsoft meer heeft.

Een ander idee waar ik mee gespeeld heb sinds de crisis in Griekenland, is dat de bevolking een soort omgekeerde staking zou kunnen doen. Men zit gevangen in een wirwar van niveaus boven zich die allemaal het dagdagelijkse leven willen organiseren: de Griekse regering, de europese, de verschillende overgangscomissies, de ratingbureaus moet ik waarschijnlijk ook vermelden. Een omgekeerde staking zou zijn, schematisch, dat de lokale producenten en de lokale kopers elkaar vinden en dat men lokaal begint te handelen op de efficiëntste manier. Het protest tegen alle bemoeienissen van overheden zou dan niet zijn het stilleggen van de productie (zoals bij de traditionele staking), maar juist het verhogen van de productie en de consumptie, terwijl men de reguleringen die van overheidswege verlangd worden naast zich neerlegt.

Geen van beide ideeën bevredigt me echt, maar ik blijf over de vraag nadenken.

——-

Idee nr. 8

Zomaar het standpunt verdedigen dat werk hebben nooit neutraal is (idee nr 5) heeft me toch aan het denken gezet. Ik werd wantrouwig jegens dat standpunt, en begon te vermoeden dat het ook eenzijdig moest zijn.

Is het niet inderdaad zo dat werk, in het algemeen en niet verder gekwalificeerd, een positief iets is voor de mens? Goede redenen om dat te denken heb ik niet zo lang geleden gelezen op deze door en door sympathieke blog, waar ik al rondsurfend op terecht kwam.

Aan de ene kant is er iets verdachts aan de manier waarop vaak over werk gesproken wordt: als een minister duizend nieuwe banen schept, betekent dat nog niet dat we als maatschappij ook meer nuttige dingen maken, of meer dingen die we nodig hebben. Aan de andere kant is werk op zich goed, namelijk los van het financiële aspect goed voor de mens als dusdanig.

Bij nader inzien is dit schijbare dilemma geen dilemma. Het wijst in tegendeel juist de weg vooruit. Een kleine mentaliteitsverandering bij de minister zou al een enorm verschil maken. De minister denkt nu: ik moet jobs creëren, want dat is op economisch vlak in alle mogelijke gevallen goed. Stel dat hij in plaats daarvan zou denken: ik moet jobs creëren, want dat is op een menselijk vlak in alle gevallen goed. Dan zou in zijn zoeken naar de plaatsen waar de nieuwe jobs gevonden kunnen worden ook al het menselijke aspect meespelen. Hij zou niet meer en niet minder dan het juiste perspectief hebben om naar jobs op zoek te gaan. Hij zou in veel grotere mate behoed zijn voor de verleiding om eigenlijk onmenselijk werk te creëren, dat bepaalde werkgevers misschien zouden willen voorzien en waar hij in zijn posititie als minister niets bij te verliezen zou hebben zolang hij alleen maar met het economische vlak rekening zou houden (het economische vlak volgens de heersende economische theorieën).

Nog enkele losse ideeën over politiek en economie

Idee nr. 4

Er zijn sommige ideeën waar je maar toe komt door de toevallige omstandigheden van het leven. Zo ben ik vandaag iemand tegengekomen die lang niet gezien had en kwamen we te spreken over het vinden van werk en de inspanningen die de vdab zich getroost. Nu zijn we beiden bezitters van een filosofiediploma, en dus kwam onder het verhalen uitwisselen al snel naar boven dat het standpunt van de vdab over diploma’s als filosofie inderdaad zo eendimensionaal is als we elk afzonderlijk al hadden menen te kunnen ontdekken. We zouden beter een andere studiekeuze gedaan hebben, want nog meer filosofen die werk zoeken, het is om zo te zeggen geen geschenk voor de vdab-mensen.

Terwijl ik erover nadacht, viel me toch iets vreemds op aan de redenering die de vdab maakt (of, zo men wil, die de minister maakt). Het ideaal is begrijpelijk: iedereen heeft werk. Niet zoals in het communisme, nee, je mag zelf je opleiding of beroep kiezen. Maar er moet wel een algemene gerichtheid op werk heersen doorheen die vrijheid van beroepskeuze. Het ideaal is niet alleen begrijpelijk, het is ook nobel en goed. De staat helpt immers, zij coördineert en organiseert dit proces. Opnieuw niet zoals in het communisme, maar in tegendeel op een vriendelijke en vrijblijvende manier, namelijk door de vdab te voorzien. De vdab heeft de nobele taak om werkzoekenden met werkbiedenden in contact te brengen en omgekeerd. Vanuit dat standpunt is het overduidelijk dat, aangezien er nauwelijks werkgevers filosofen zoeken, filosofen elementen zijn waar het systeem weinig mee kan aanvangen.

Nu het vreemde dat mij opviel. De staat, de minister of de vdab-mensen zijn schijnbaar nobel, maar eigenlijk is er behalve het nobele ook iets verdachts. Je kan je namelijk de vraag stellen: wat als het organiseren klaar is? Met andere woorden: wat als er op een bepaald moment, of (duurzaam) vanaf een bepaald moment, voor gezorgd is dat iedereen goed werk heeft? De vraag stellen gaf me een vreemd soort Aha-Erlebnis. Ik besefte plots dat ik er stilzwijgend van uitgegaan was dat het streven van de staat gericht was op een overkoepelend iets. Zou men daar niet van uitgaan? Het thema werk is zodanig veelbesproken onder gewone mensen en onder beleidsmensen, in krantenkoppen en verkiezingsbeloftes. Het lijkt dan toch een thema te moeten zijn dat erg belangrijk is. En dan stelde ik me ineens voor dat het grote werk van het organiseren van al het werk achter de rug zou zijn. Ik merkte dat mijn stilzwijgende veronderstelling misplaatst was. Er zou in dat geval geen ander goed gerealiseerd zijn, dan dat ieders individuele tekort aan werk verdwenen was, een tekort dat er volgens de theorie in de eerste plaats helemaal niet had moeten zijn.

Goed, dan moet ik mijn veronderstelling maar bijstellen. Maar het is zo erg dat ik over die arme vdab-mensen nu helemaal anders moet denken. Ik dacht, weliswaar zonder me er expliciet van bewust te zijn, dat ze zich dag tot dag inzetten voor een overkoepelend doel. Maar in feite besef ik nu dat er geen doel is. Dat iedereen werk heeft en daardoor iedereen naar zijn eigen individuele idealen kan streven, dat wel. Dat is al iets om mee te beginnen. Maar als maatschappij streven we niet naar een groter, op een of andere manier overkoepelend doel. Ik kan me voorstellen dat sommige mensen zouden willen zeggen: we streven naar groei. Maar kan je iets groei noemen als het niet op iets gericht is waar het naartoegroeit?

Vreemde situatie. In tegenstelling tot het communisme bijvoorbeeld, zorgen we er min of meer voor dat iedereen individueel kan streven naar de doelen die hij de moeite waard vindt. Als maatschappij daarentegen is er geen doel dat ons verbindt. En door alle bedrijvigheid valt het niet eens op.

——-

Idee nr. 5

Ik heb nooit zo goed gesnapt waarom er gesproken wordt over werk creëren als iets eenduidig positiefs. Om niet fout begrepen te worden moet ik dat beter formuleren. Ik weet dat er hele goede redenen zijn waarom werk creëren eenduidig positief is. Zelfs al zou er verder geen reden zijn, dan nog is het bijvoorbeeld een monumentaal feit dat het voor een individu, zijn eventuele kinderen en de andere personen die van hem afhankelijk zijn alle verschil van de wereld kan maken of hij werk heeft of niet. Dat is zo in het huidige systeem, al zijn er ook nu al honderden manieren waarop men in aanmerking kan komen voor een uitkering. Maar naast alle goede redenen waarom het loutere voorhanden zijn van werk positief is, zijn er ook redenen om dit beeld te nuanceren. Een van de redenen is de volgende. (Met andere woorden: ik geloof dat het waar is dat werk creëren goed is, en ik geloof dat wat ik nu ga zeggen simpelweg even waar is.)

Maakt het niet een groot verschil wat er gemaakt wordt?

In land a heerst er x procent werkloosheid. De regering zorgt voor y nieuwe banen in een fabriek die functionele electronische agenda’s maakt.

In land b heerst er ook x procent werkloosheid. De regering zorgt voor y nieuwe banen in een fabriek die verslavende computerspelletjes maakt.

Het werk dat de voorheen werkloze mensen verzetten heeft toch ook gevolgen. Er eventjes van uitgaande dat de producten in hetzelfde land verkocht worden, lijkt het me dat in land a de algemene productiviteit erop moet vooruitgaan, terwijl ze er in land b op moet achteruitgaan. Dit is al het punt. Hoe kan je abstract over banen spreken, alsof het niets uitmaakt welke banen het zijn?

U zal zeggen dat het niets nieuws is wat ik vertel. Het is over- en overbekend. Elk regeringslid dat op een bepaald moment bezig is met banen te creëren zal uitgebreid stilstaan bij de gevolgen van het plan dat hij ontwerpt. Maar ik stel me voor dat dat er dan bijkomt als een afzonderlijke overweging. Alsof het schema is: banen zijn in eerste instantie altijd neutraal. Dat ik nu toevallig alleen banen kan creëren in een kerncentrale is spijtig, maar het kan nu eenmaal niet anders. Dat is een afzonderlijk punt en ik ga nu het banenpunt tegen het kerncentralepunt moeten beginnen afwegen. – Ik wil daarentegen eens de zaak zo bekijken dat banen nooit neutraal zijn en dat het altijd iets uitmaakt wat het product is van het nieuw gecreëerde werk.

Op dit punt vind ik het extra vervelend dat ik geen achtergrond in economie heb. Misschien is wat ik net gezegd heb even overbekend. Maar ik kan mij spijtig genoeg alleen baseren op wat ik opvang in gesprekken, in de krant enzoverder. Daar hoor ik altijd alleen over banen spreken in de neutrale zin.

Enkele losse ideeën over politiek en economie

Een van de redenen waarom ik de laatste weken niets geschreven heb voor mijn blog is dat mijn ideeën te ambitieus zijn. Ik heb bijvoorbeeld, in al zijn vaagheid, een plan opgevat voor een uiteenzetting over epistemologie, maar zoals ik dat nu voor me zie omvat het bijna de hele wereld. Ik wil het graag schrijven, maar het is nog volop in ontwikkeling en het zou in ieder geval een heel lang schrijfsel worden. Daarnaast heb ik ook zitten nadenken over economie en politiek. Dat kon moeilijk anders met de verkiezingen. Maar bij de gedachten die ik mij over deze onderwerpen vorm heb ik altijd de neiging te denken: die kan ik nu niet opschrijven, ik moet eerst een cursus economie lezen en mij om zo te zeggen het recht verwerven om daarover te mogen praten.

Toch heb ik nu het idee gehad dat ik misschien niet moet wachten met deze tweede groep van ideeën. Ik kan er ook over praten op een meer persoonlijke manier. Dus niet als een specialist die het van alle kanten heeft overwogen, maar simpelweg als iemand die een idee heeft. Op die meer persoonlijke, minder objectieve manier kan ik het wel opschrijven.

 ——-

Idee nr. 1

Ik heb vorige week een aflevering van The West Wing gezien, die me niet loslaat. Het gaat over The Debate, een aflevering uit het zevende en laatste seizoen. In deze aflevering voeren de twee fictionele (Amerikaanse) presidentskandidaten een live uitgezonden debat. Interessant vind ik vooral de manier waarop de republikeinse kandidaat zijn republikeinse ideeën verwoordt en verdedigt en de manier waarop de democratische kandidaat zijn democratische ideeën verwoordt en verdedigt. Ze hebben allebei gelijk in hetgeen ze verdedigen.

Er is echter meer. Ik kijk naar dit debat met in mijn achterhoofd allerlei ideeën die ik heb over politiek en economie. Die ideeën zijn afkomstig van allerlei bronnen, maar de ideeën die zich het meest op de voorgrond bevinden zijn de ideeën die ik bij Rudolf Steiner gelezen heb, omdat ik dat op dit moment relatief gezien de beste ideeën vind. En nu valt het mij op dat er een grote overeenkomst is tussen enerzijds Steiners ideeën en anderzijds de ideeën geformuleerd in het fictionele debat in The West Wing. Te weten: als je de ideeën van de beide fictionele presidentskandidaten tegelijk zou kunnen verwezenlijken, dan zou je al bijna een incarnatie van Steiners politieke ideeën hebben. Natuurlijk zijn er in de werkelijkheid redenen waarom je niet beide denkrichtingen tegelijk zou kunnen verwezenlijken. In de werkelijkheid presenteren ze zich in de regel als polariteiten. Je bent of conservatief, of liberaal. Je kan niet beide willen. In Steiners visie zijn het twee kanten van één zaak, maar dat wil bij hem ook niet zeggen dat je ze zonder meer tegelijk zou kunnen verwezenlijken.

Voor mij als toeschouwer van het debat is het geen verassing te moeten concluderen dat de republikeinse kandidaat gelijk heeft en de democratische ook. Dat verwacht ik ergens wel vanuit mijn steineriaanse ideeën. Wat wel een verrassing is, is hoe scherp de posities in de serie op het punt gesteld zijn waarop je ze vanuit een steineriaans gezichtspunt zou moeten stellen. Het zijn precies die argumenten, van beide kampen, die je zou maken vanuit de steineriaanse achtergrond. Anders gezegd, de debat-aflevering zou op honderd manieren geschreven kunnen zijn, en telkens zou in zekere zin de ene gelijk hebben en de andere ook. Maar in dit geval is het zo gedaan dat het, vanuit de achtergrond van Steiners ideeën beschouwd, precies de punten naar voren haalt waarin de republikeinen gelijk hebben en aan de andere kant precies ook de punten waarin de democraten gelijk hebben.

 ——-

Idee nr. 2

Je moet Steiners ideeën over economie niet zien als een model naast andere modellen, dat is bekend. Tenminste, Steiner hamert er zelf nogal fel op dat het niet zijn bedoeling was een economisch model te ontwerpen. Dat aan de andere kant de idee van sociale driegeleding soms als model beschouwd wordt is natuurlijk even bekend. Maar als je het niet als model moet beschouwen, als wat moet je het dan wel beschouwen?

Antwoord: je kan het je voorstellen als iets waaruit zich naar believen dingen laten ontwikkelen die wel modellen zijn.

Wat bedoel ik? Wat Steiner met zijn ideeën wil is duidelijk genoeg voor degene die zich er iets bij kan voorstellen. Maar zich er iets bij voorstellen is heel vaak het grote struikelblok voor degenen die goed op de hoogte zijn van de economische en politieke theorieën, en dat met goede reden. Wie de pech heeft om goed op de hoogte te zijn, heeft vaak de neiging om Steiners ideeën te willen plaatsen binnen de gangbare kaders van de economische theorie. Maar dan zou hij er een model van moeten maken.

Dit vormt dus een reëel probleem. Steiner verlangt van de lezer of toehoorder dat die openstaat voor een soort van denken naast het denken in modellen. Waarop die alternatieve manier van economisch denken juist op stoelt dat zal wel blijken en of er iets mee kan bereikt worden zal wel blijken – maar het onvooringenomen luisteren naar de ideeën zelf wordt in zekere zin vereist van de lezer of toehoorder. Maakt dat het niet onredelijk moeilijk voor diegenen die examen na examen zich de gangbare economische denkwijze hebben eigen gemaakt?

Daarom, ik stel een gedachte-hulpstukje voor. Stel je voor dat er een ideeëncorpus zou zijn dat niet zelf een vaste en duidelijke vorm heeft, maar dat wel de kracht heeft om, als het dat wil, duidelijke modellen voort te brengen. Dat is ongeveer het soort ding dat de economische en politieke theorie van Steiner is – al is theorie hier niet echt het goede woord.

Waar het voor Steiner op aankomt is niet deze kracht om modellen te kunnen genereren. Het komt aan op de ideeën die eraan ten grondslag liggen. Maar het kan wellicht voor sommigen een hulp zijn om Steiners ideeën te benaderen via de onwezenlijke modellen, al was het maar om zich er iets bij te kunnen voorstellen, en zo pas zijn weg te zoeken naar het wezenlijke waaraan die modellen ontspringen.

——-

Idee nr. 3

Ook in verband met het thema basisinkomen kan je spreken over een barriere. Je krijgt het idee wel uitgelegd aan mensen, maar er is iets anders dan de begrijpelijkheid van de uitleg die mensen vaak belet je ideeën ernstig te nemen. Dat is namelijk het blijkbaar nogal diepgewortelde idee dat men toch moet werken om te verdienen dat men een loon krijgt. Dat voelt men vaak aan als een moreel bezwaar.

Staat daar niet iets zeer voordehandliggends tegenover? Men wil in feite graag de manier waarop mensen aan loon geraken houden zoals het is, “omdat het zo wel eerlijk is”. Maar zoals het is, is het helemaal niet eerlijk. Er zijn heel wat mensen die in het huidige systeem zo goed als niets doen en toch grote lonen opstrijken.

Noot: ik probeer hier eens het omgekeerde te doen van wat meestal gedaan wordt door verdedigers van het basisinkomen, overigens zeer terecht gedaan wordt door die verdedigers. Meestal legt men de nadruk op het feit dat er ook nu al veel mensen (die daar wel recht op hebben, zoals gehandicapten, alleenstaande moeders, kunstenaars …) een uitkering krijgen, en dat geld vinden voor het basisinkomen helemaal niet het probleem is dat het op het eerste gezicht lijkt, in tegendeel. Ik wil er daarentegen ook eens de nadruk op leggen dat er ook nu al veel mensen (die er volgens onze spontane intuïtie geen recht op hebben zoals renteniers, sommige soorten managers, speculanten …) wel een loon krijgen, en dat het morele bezwaar een schijnprobleem is.

Vind ik niet leuk

Dit is een post over die invalshoeken die ik mis in debatten over de invloed van het internet in zijn huidige verschijningsvorm op de samenleving.

De eerste gaat over de aggresieve houding van Facebook, LinkedIn en andere bedrijven.

De tweede gaat over de vraag: kan je met Google en Facebook nog doen wat je ermee wil doen? Het bevat ook een gebruisaanwijzing over hoe je met Facebook op de lotto kon spelen (spijtig genoeg nu niet meer).

De derde gaat over conformisme.

——-

Het internet zorgt voor een aantal dingen die niet leuk gevonden worden; de kritiek op een hele reeks gevolgen van hoe het er nu uitziet is een onderwerp op zichzelf geworden. Onder die gevolgen vallen: problemen met privacy, het gedrag van Google, Apple of Facebook, hoe gericht men ons kan bestoken met reclame, enzoverder. Allemaal dingen die men al lang heeft kunnen zien aankomen, maar waarover men nu pas wat minder geïsoleerd begint te discussiëren. Ik veronderstel dat het er vroeg of laat van moest komen. Eerst had je het optimisme over alle nieuwste software- en hardwaretoepassingen. Nieuws daarover werd een vaste rubriek in alle media en je had de bijbehorende lezers en kijkers die dat nieuws gretig verslonden. Nu heb je een kleine antithese. Sommige schaduwzijden van de technologische vooruitgang beginnen op te vallen en worden beschreven. Er bestaat alleen nog geen naam voor dit lichaam van kritiek, wat wel een beetje spijtig is want anders had ik deze inleiding niet nodig gehad om aan te duiden wat ik bedoel, en had ik sneller tot de kern van de zaak kunnen komen.

Serieus, je zou denken dat er wel een wikipedia-artikel over bestond, maar dat is dus niet het geval.

Ik probeer deze discussies een beetje te volgen, want over een ons leven zo bepalend verschijnsel als het internet wil ik commentaar lezen vanuit zo veel mogelijk verschillende gezichtspunten. Vaak ben ik aangenaam verrast door de commentaren. Dit vind ik een artikel dat een interessant thema aansnijdt. Ik ben ook blij dat iemand de term filter bubble bedacht heeft. Maar er zijn ook een aantal thema’s die niet worden aangesneden en die ik mis. Daarover wil ik het hier hebben. Het gaat om één triviaal thema en twee minder triviale.

——-

1.

Qua onbeschaamdheid zie ik een grote gelijkenis tussen Realplayer tien jaar geleden en Facebook nu. Realplayer had opdringerige popups, installeerde ongevraagd Gator, probeerde er op alle manieren voor te zorgen dat je het wel moest downloaden, enzoverder. Facebook probeert mails te sturen aan heel je adresboek, verandert om de haverklap de site, om ook je privacy-instellingen te kunnen veranderen, verandert soms ook gewoon zomaar je privacy-instellingen, enzoverder.

Het verschil is dat Facebook ermee weg komt.

Weliswaar kan men aanvoeren dat er veel kritiek komt op al Facebooks onbeschaamdheden. Maar die was er op Realplayer/Gator ook. Waarom was het in het ene geval een dealbreaker en in het andere geval niet?

Facebook is behalve onbeschaamd ook cool, zegt men, of slaagt er toch in om als cool gepercipieerd te worden. Natuurlijk is dat een belangrijk aspect, maar als definitieve verklaring bevredigt het me niet.

——-

2.

Zoals ik al zei, de kritiek op sommige internetfenomenen neemt toe. In de Humo heeft al een paar keer een artikel gestaan over de profielen die van nietsvermoedende surfers bij de vleet worden opgesteld door Google en andere bedrijven. Wat me opvalt is dat de schrijvers of de geïnterviewden er nooit in slagen aan te duiden wat precies het probleem is. Ze sommen alleen op dat het creepy en potentieel gevaarlijk is, en dat het niet klopt dat het allemaal gebeurt zonder dat we het beseffen. Weliswaar hoeven ze het niet uitdrukkelijk te formuleren. De uitleg van wat er gebeurt zorgt er wel voor dat de lezer het probleem aanvoelt. Dit probleem zou ik waarschijnlijk zelf ook niet exact kunnen formuleren. – Maar er is daarnaast ook een ander probleem, dat er nauw mee samenhangt. Al het profiel-opstellen zorgt ervoor dat de producten slechter worden. Dit probleem is niet creepy, maar het is wel een probleem dat geformuleerd kan worden. Het is trouwens ook een probleem dat een probleem blijft, ook wanneer je de privacykwestie niet als creepy ervaart. Hoewel het naadloos aansluit bij de filter bubble, mis ik deze invalshoek.

Het is heel eenvoudig nochtans. Eerste voorbeeld: Google wordt een slecht product door zijn huidige strategie. Niet alleen laadt Google trager, maar bovendien kan ik minder gericht zoeken dan vroeger. Er komen hits in mijn zoekresultaten die daar alleen maar op een zo hoge plaats verschijnen omdat Google weet dat ik erin geïnteresseerd ben, niet omdat ik er op dat moment naar aan het zoeken ben.

Stel dat ik geïnteresseerd ben in voetbalshirts en een reis plan naar Schotland. Als ik dan niet op Google, maar bijvoorbeeld op Amazon intyp: “reizen naar Schotland”, dan zou ik het helemaal niet zo erg vinden dat er dan ergens in een hoekje van mijn venster een link naar een voetbalshirt van Schotland verschijnt, zolang het tenminste in een rubriekje staat als “you might also be interested in.” Als hetzelfde in Google gebeurt dan vind ik het wel erg. Om te beginnen omdat het niet in een dergelijk rubriekje staat, maar vooral omdat ik daar op dat moment niet naar aan het zoeken ben. Google maakt het mij moeilijker om te vinden wat ik zoek, als wat ik zoek bijvoorbeeld alleen te vinden is op een niet vaak bezochte pagina uit 2004 over een onderwerp waarin ik (of iemand met een gelijkaardig profiel als het mijne) niet eerder interesse heb laten blijken. Ik moet creatief worden om zoekvertroebeling te omzeilen. Niet gebruiksvriendelijk voor een zoekmachine.

De filter bubble maakt Google een slechter product, niet omwille van de meer creepy aspecten maar omdat een dergelijke filter niet gepast is voor een zoekmachine. De filter maakt sommige zoekopdrachten gemakkelijker, maar dat komt tegen een prijs die ik er niet voor had willen geven.

Tweede voorbeeld: Facebook wordt een slechter product door zijn huidige strategie. Sinds een bepaald moment heeft Facebook besloten dat het Twitter wil worden. Twitter is een goed product. Twitter heeft een eigenschap die Facebook niet heeft: het heeft een soort van intelligentie. Natuurlijk staat Twitter daar niet alleen in. In plaats van Twitter had ik ook Reddit kunnen zeggen, of nog andere websites.

Facebook wil graag een variant van dit soort intelligentie bezitten. Wat is deze soort van intelligentie? Heel in het algemeen kan je zeggen dat het voor de helft een soort wisdom of crowds is, en voor de andere helft gestuurd wordt door algoritmes. Het belangrijkste kuntsje dat deze intelligentie kan uitvoeren is dat het uit een overvloed aan ongeorganiseerde informatie “trends” kan doen bovendrijven. Ofwel, het kan de overvloed aan informatie organiseren en er de beste elementen uit selecteren.

Ik beweer dat Facebook graag Twitter en Reddit wil worden enkel en alleen omdat ik het stap voor stap heb zien gebeuren. Op een bepaald moment heeft Facebook een bestaande functie, namelijk de highlights-rubriek, omgevormd tot de nieuwe news feed, en op hetzelfde moment de oude news feed hernoemd tot live feed. Dit artikel noemde het een revolutionaire stap in de strijd tegen de overvloed aan informatie. Tot daar geen probleem. De overvloed aan informatie is hoe dan ook een bestaand probleem. Facebook maakte in zekere zin een keuze door in de “strijd” hiertegen een bepaald logaritme op te dringen en geen ander, maar het liet ook een keuze aan de gebruiker om zijn informatiestroom door dit algoritme te laten ordenen of niet.

Facebook verbeterde in feite zijn product. Soms zou ik ook wel eens een Bayesiaans algoritme willen loslaten op mijn overvloedige rss-feeds, en liefst van al zou ik nog de keuze hebben tussen verschillende versies.

Vervolgens echter werd de nieuwe news feed meer en meer opgedrongen, tot op het punt dat je er niet meer buiten kon. Parallel daarmee (en dat vond ik het ergst), werd het moeilijker en moeilijker om nog alles te kunnen zien dat door je vrienden op Facebook werd gezet.

Eerst begon Facebook te vergeten dat je de live feed prefereerde. Elke keer je opnieuw op Facebook kwam, moest je de ordening terug veranderen van news feed naar live feed. Later kon je de live feed alleen nog maar via een omweg vinden. Nog later werkte zelfs het trucje niet meer om de live feed-url te bookmarken en via die url naar Facebook te gaan, want Facebook leidde je toch automatisch naar de news feed.

Tot daar het verhaal over de news feed. In het gelinkte artikel wordt de positieve kant van dat verhaal belicht. Namelijk dat het geen willekeurig systeem is, maar minstens ook een systeem dat leert wat jouw individuele preferenties zijn. Mooi! Een paar keer heb ik heb ik geprobeerd het systeem wat te helpen en het te leren wat mijn preferenties zijn. Maar ik gaf het telkens heel snel op als bleek dat ik de videootjes er maar niet uitkreeg. Ik kijk toevallig niet graag videootjes op internet, voor een stuk omdat ik vroeger meestal muziek had opstaan. Maar in mijn newsfeed bleven altijd helemaal bovenaan videootjes verschijnen.

In deze periode heb ik ook eens op euromillions gespeeld met behulp van de news feed. Dat gaat erg gemakkelijk. Je maakt een andere account aan en je wordt er vriend mee. Op die account post je vijftig posts. Je post het getal 1, dan het getal 2, dan het getal 3, en zo verder tot 50. Je wacht een paar dagen en dan zie je welke getallen bovenaan komen te staan staan. Mijn reeks was na twee dagen dit geworden:

3, 1, 2, 17, 14, 4, 12, 7, 11, 6, 10, 8, 13, 5, 15, 16, 9, 19, 18, 22, 20, 21, 23, 36, 37, 27, 33, 32, 31, 47, 26, 38, 25, 28, 41, 34, 44, 29, 42, 35, 30, 39, 46, 45, 24, 40, 43, 50, 48, 49

Dan heb je verschillende mogelijkheden. Of je selecteert de eerste vijf nummers, of de meest naar boven gesprongen nummers, of je verzint een andere manier. Als je wekelijks wil spelen is het het eenvoudigst om de volgende keer in plaats van 1, 2, 3, 4, 5 … de vorige lijst in te geven, en zo elke week de lijst van de vorige keer. Na enkele malen is dan van de oorspronkelijke volgorde al helemaal niets meer te onderkennen.

Ik heb zelf maar één keer gespeeld, maar ik heb niks gewonnen. Zelfs daar deugde de news feed niet voor.

Maar ik ben afgedwaald, want het verhaal was nog lang niet gedaan. Het volgende hoofdstuk begon toen Facebook het zo maakte dat je niet meer een news feed had, maar in plaats daarvan ingeschreven werd op de posts en activiteiten van al je vrienden. De standaardinstelling was dat je ingeschreven was op “most posts” (je hebt ook nog “only important”, en voorlopig nog steeds “all posts”). Ik heb alle vrienden op “all posts” gezet, maar was gedwongen om ze allemaal handmatig af te gaan. Niet veel later werd plots de news feed, die ondertussen de main feed was geworden, een pak korter en kon je nog maar een dag of twee teruggaan voor je op “there are no more posts to show at the moment” botste. (Dat was overigens het moment waarop het onpraktisch werd om nog op de euromillions te spelen.) Toen werd mijn ergernis te groot en heb ik, handmatig, al mijn vrienden op “unsuscribe” gezet. Tenslotte kwam dan nog timeline, waarbij je wel de keuze hebt wat je als belangrijk selecteert op je eigen timeline en dus in de feeds van je vrienden, maar het is altijd hoe dan ook een selectie. Er is geen neutrale zone meer tussen belangrijk en niet belangrijk.

Ik weet niet op welk moment, maar op een bepaald moment is Facebook ook bepaalde berichten beginnen te verbergen, als het vond dat die minder belangrijk waren.

Waarom erger ik me hier nu zo aan? Het is een simpele vraag, maar er is ook een simpel antwoord op. Facebook is voor mij behalve natuurlijk een pleasure machine ook een gebruiksvoorwerp. Ik heb het vroeger altijd gebruikt voor waar het goed in was: naar fotootjes kijken, op de hoogte blijven van dingen die mijn vrienden erop zetten. De dingen die me het meest interesseerden maakten altijd maar een heel klein percentage uit van de wall of later van de verschillende incarnaties van de news feed. En van die meest interessante dingen was er ook weer een heel klein percentage posts die me echt een plezier deden. dat waren dan meestal de momenten dat vrienden in een poëtische bui waren en poëtische onzin postten, of gewoon onzin die me toevallig erg beviel, of een echt interessante link, bijvoorbeeld naar een artikel waar iets instond dat ik nog nooit gelezen had. Het is een feit dat die allerkleinste groep van echt plezierige posts bijna nooit likes hadden.

Dus het was telkens een dilemma wanneer Facebook weer een graad verder ging in zijn strijd om minder belangrijke inhouden voor mij te kunnen verbergen. Ik wou Facebook graag blijven gebruiken om die dingen niet te missen, maar ik wist dat het de dingen waren die in de praktijk uit mijn feed gingen verdwijnen. Het voorbeeld van de interessante artikels is het duidelijkst. Artikels waar iets nieuws instaat zijn bijna nooit makkelijk leesbare artikels, maar moeilijk leesbare artikels worden niet vaak aangeklikt. Ze verliezen de strijd tegen artikels die iets samenvatten waar veel mensen het al over eens zijn, om nog maar te zwijgen over artikels uit de bizar-rubriek of grappige foto’s. Waar ik dus natuurlijk niks tegen heb, voor alle duidelijkheid.

Kortom, het werd moeilijker om Facebook te gebruiken waar ik Facebook het liefste voor gebruikte. Op het moment dat datgene wat een product echt de moeite waard maakt – in mijn geval de poëtische posts en de interessante links – niet meer in het product voorkomt, onstaat er een vreemde situatie. Ik heb vaak voor het dilemma gestaan: zal ik toch maar meegaan met de nieuwe veranderingen en het lot van mijn arme news feed in handen leggen van deze intelligentie van de massa en van een algoritme met een voorkeur voor videootjes? Gewoon er niet moeilijk over doen, zoals ze zeggen? Maar wat voor zin heeft het dan nog? Dan kan ik evengoed van Facebook wegblijven. De situatie was simpelweg: Facebook werd stap voor stap een slechter product.

Derde voorbeeld. Hotmail moet overgaan in een vernieuwde web-gebaseerde outlook, die meer verbonden moet worden met sociale media. Is er dan werkelijk niets meer dat je nog als een gebruiksvoorwerp mag beschouwen? Ik snap dat het een vermoeiende indruk geeft als ik per se wil insisteren dat Facebook vanuit een bepaald gezichtspunt ook een gebruiksding is. Maar mail is toch nog iets helemaal anders. Dat moet nuttig zijn.

Misschien is er als puntje bij paaltje komt wel een reden waarom het lijkt dat succesvolle producten slechter worden. Van een onsuccesvol product valt het niet zo op als het ongebruiksvriendelijker wordt. Maar als hotmail moet gered worden, heeft microsoft waarschijnlijk bijna geen andere keus dan een enigszins goed product als outlook te nemen en het op te offeren aan het wankelende hotmail. Een reeds slecht product slechter maken zou niet volstaan. Het moet een product zijn dat ooit goed geweest is.

Ik hou mijn hart vast voor microsoft word.

——-

3.

Zoals ik in het begin al zei vond ik dit een goed artikel. Maar ook hier is er een invalshoek die ik mis. Men kan namelijk de zaak namelijk ook beschouwen vanuit de tendens tot conformisme op zich.

Ik maak een epistemologische omweg om bij mijn punt uit te komen.

Wat doe ik wanneer ik geconfronteerd word met een grote hoeveelheid ongeordende data, die een of andere eigenaardigheid hebben die ik graag wil verklaren? Ik stel spontaan een hypothese op die orde brengt in deze hoop gegevens en ga dan na in welke mate mijn hypothese deugt.

Bijvoorbeeld: ik word geconfronteerd met het feit dat sommige mensen rechtshandig zijn maar andere linkshandig. Ik stel de hypothese op dat rechthandigheid normaal is. Of ik stel juist de hypothese op dat er een spectrum is van rechts- en linkshandigheid en dat mensen geboren worden met een even grote kans om in de ene helft van dat spectrum te vallen als in de andere helft. Typisch zijn het dergelijke hypotheses die worden opgesteld wanneer men aanvankelijk over dergelijke kwesties begint na te denken. Men begint met eenvoudige stellingen.

In de meeste gevallen blijft het niet bij de eenvoudige stellingen omdat de fenomenen dat niet toelaten. De stelling was om te beginnen fout, of ze was niet complex genoeg omdat er meer variabelen zijn aan het fenomeen.

Ik kijk bijvoorbeeld naar reuzenschildpadden en ik vraag me af hoe oud ze worden. Mijn eerste idee is alle data te nemen en voor elke soort de gemiddelde leeftijd te nemen. Voila, ik heb mijn antwoord: voor deze soort schildpad is 113,14 jaar een normale leeftijd, voor een andere is het 160,09. Dan wil ik hetzelfde doen voor honden. Ik bepaal van elke soort de “normale” leeftijd. Maar hier stel ik een veel ongelijkmatigere spreiding op. Een bepaalde soort hond wordt in Canada heel oud, maar sterft in Mexico veel jonger. Ik begin te vermoeden dat deze hond niet van warm weer houdt. Wat wil dit zeggen? Ik moet een variabele toevoegen aan mijn eerste stelling. Was ik dezelfde procedure blijven volgen als bij de reuzenschildpadden, dan was de “normale” leeftijd die zou resulteren, eigenlijk fout geweest.

Stel, ik ben een orthodont en heb tijdens mijn opleiding geleerd dat mensen wiens kaak in een bepaalde steile hoek staat een grotere kans hebben om bepaalde ongemakken te ondervinden. Staat de kaak dan weer in een te rechte hoek, dan is de kans groter dat andere ongemakken gaan optreden. De mensen die het minste kans op stomatologische ongemakken hebben zijn de mensen wiens kaak een bepaalde hoek van x graden maakt. x is het gemiddelde van de ideale kaakhoeken. In dergelijke situaties treedt vaak een verder verschijnsel op. Men gaat deze hoek als norm beginnen beschouwen en plots is de situatie zo dat een orthodont tegen je zegt: “Je kaak zit niet precies op de norm. Zouden we hem toch niet corrigeren?” Iedereen beseft weliswaar dat wat voor het ene mensenlichaam goed en juist en mooi is, niet hetzelfde is als wat het voor het andere mensenlichaam is. Maar de variabelen worden hier te ongrijpbaar. Men zou uitgelachen worden als men zou afkomen met een theorie over welke kaak het beste bij welke lengte, haarkleur of stofwisseling zou passen. Ondertussen blijft de theorie dat x de norm is wel grijpbaar en kan men zich eraan vasthouden.

Het hangt er ook altijd van af in welk opzicht men de zaak bekijkt. De ene variabele is van belang in het ene geval maar niet in het andere. Stel, ik ben de hoofdredacteur van een krant en ik wil graag weten welke artikels ik aan mijn lezers moet aanbieden. Mijn eerste idee is te gaan kijken welke artikels het vaakst gelezen worden (bijvoorbeeld door naar de clicks op de website te kijken, of een onderzoek te laten doen onder de lezers van de papieren versie). Ik verkrijg deze gegevens en besluit dan dat de vaakst gelezen artikels de soort artikels zijn die mijn lezers willen lezen, en die ik dus moet voorzien in de krant. In dit geval zou ik misschien juist zijn als ik de zaak bekeek vanuit het oogpunt van de adverteerders. Als ik de zaak echter bekeek vanuit het oogpunt van wat de lezers echt willen, dan kan het heel goed zijn dat mijn lezers het liefst van al een krant hebben met een paar inhoudelijke artikels en daarnaast ook een paar verstrooiende onbenulletjes. Dat ze de onbenullige artikeltjes vaker aanklikken betekent niet dat ze ook een krant willen die alleen daaruit bestaat.

In de meeste gevallen is de eerste hypothese niet de juiste. Maar soms hangt het af van het gezichtspunt, en soms wordt het fenomeen ook te ongrijpbaar om nog in een eenvoudige formule te vangen.

Er is ook nog een verschil tussen een hypothese die het fenomeen van binnen en van buiten beschrijft, en een verklaring die alleen de buitenkant aanraakt. De leeftijd van schildpadden is een goed voorbeeld van iets dat alleen de buitenkant beschrijft. Je kan de normale leeftijd vinden, maar daarmee weet je nog niets over waarom een schildpad zo oud wordt. Als je daarentegen de worpen van een gewone dobbelsteen analyseert en tot het besluit komt dat elke worp een kans van 17 procent heeft, heb je het fenomeen van binnen en van buiten begrepen. Een dobbelsteen die in 80 procent van de gevallen een 3 gooit, kan je met recht en reden als een afwijking van de norm beschouwen. Een schildpad die onverwacht 300 jaar wordt misschien niet, als je bent blijven staan op het moment dat je de gemiddelde leeftijd hebt vastgesteld. Maar meestal kan je wel meer leren kennen van de fenomenen dan alleen de buitenkant. Je observeert meer bijzonderheden, je stelt jezelf nieuwe vragen, je neemt meer variabelen mee in de beschouwing en zo ontdek je meer en meer aspecten en dring je dieper en dieper door in het fenomeen. De ene grens aan dit dieper en dieper doordringen is dat de fenomenen te subtiel en ongrijpbaar worden voor wat je kunt overzien en vasthouden, de andere grens is dat de fenomenen zelf te weerbarstig zijn. Waarom heeft de ene radioactieve substantie deze halveringstijd en de andere die? We kunnen de gemiddelden vaststellen, maar dat is dan de buitenkant waarbij we blijven staan. Dit laat zich vergelijken met een dobbelsteen die in 80 procent van de gevallen 3 gooit, zonder dat er daar een verdere verklaring voor te vinden is.

Dat was de epistemologische omweg, en ik wil ook wel benadrukken dat ik goed weet dat ik met deze dingen niets nieuws vertel. Ik wou alleen een gebied karakteriseren om dat de vraag te kunnen stellen: hoe past het conformisme dat Google, Facebook en de rest aankleeft in dit gebied?

Het antwoord is: je krijgt altijd weer alleen maar dit (ik citeer uit dit artikel):

When you find something interesting, say so: give it a +1, comment or share. Beyond engaging with the Google+ community, and possibly forming new connections, you’re giving signal to the original creator that their post was valuable or meaningful. That means they’ll likely share more content like it.

Het idee schijnt te zijn: Twitter is iedereen aan het voorbijsteken. Wij moeten ook zo snel mogelijk een soort van intelligentie in het leven roepen door ervoor te zorgen dat we de belangrijkste posts selecteren en iets als trends kunnen genereren. Hoe gaan we dat doen? Door de intelligentie uit de handen van de gebruikers weg te nemen en ze in handen van onze algoritmes te leggen. Als blijkt dat dit eigenlijk een onvolkomen incarnatie van onze bedoeling is, dan moeten we de mensen maar enthousiast maken voor ons onvolkomen idee inplaats van ons idee te verbeteren en bijvoorbeeld te zoeken naar de extra variabelen die in de zaak zelf liggen en waar we rekening mee moeten houden.

Het is een onvolkomen incarnatie. Want wat Twitter doet is meteen ook alles wat Twitter doet. Dat maakt Twitter een goed product. Het is duidelijk dat een twittertrend niet meer is dan dat. Het is een stukje inhoud dat naar internetfaam gekatapulteerd wordt, voor een stuk omdat het interessant is, maar voor een stuk ook toevallig. Niemand gelooft dat Twitter ook echt de belangrijkste informatie kan selecteren uit de overvloed aan inhoud. Als andere spelers zoals Facebook geloven dat ze dat wel kunnen, dan overzien ze dat de situatie complexer is.

Maar dat is wat ze doen. Ze willen kunnen bepalen wat de belangrijke posts zijn en wat niet. Ze willen binnen de overvloed aan data een onderscheid kunnen aanbrengen tussen de belangrijke posts en de onbelangrijke. En net zoals in alle andere gevallen, beginnen ze bij de eerste hypothese die in hun hoofd opkomt: belangrijke inhoud is die inhoud die veel clicks of likes krijgt.

Als ik deze strategie probeer te plaatsen binnen het gebied dat ik met al mijn voorbeelden heb gekarakteriseerd, vallen mij een aantal dingen op. En het zijn allemaal tegelijk ook redenen waarom deze strategie het conformisme alleen nog maar meer in de hand werkt.

Er is ook al een conformisme in de fase voordat het versterkt wordt door de tweets en retweets. Iets komt in de belangstelling te staan en verkrijgt alleen al daardoor een bandwagon effect. Bovendien is het ook, zoals in het geval van de orthodont, gemakkelijk voor een gemiddelde om ongemerkt een norm te worden.

Maar probeer ik de ideeën van Facebook en Google te kaderen, dan valt me toch vooral op dat ze zo pertinent blijven vasthouden aan het model dat zegt: “belang wordt gemeten in clicks en likes.” Het stoort me niet dat ze van dit, toegegeven, voordehandliggende model uitgaan. Wat ik wel onbegrijpelijk vind is dat ze er bij blijven staan.

Het is immers niet onredelijk om te verwachten dat ze betere manieren zouden opzoeken, eens gebleken is dat het algoritme niet aan iedereen de inhoud levert waar hij naar op zoek is. Er zijn gewoon meer variabelen aan het probleem.

Eén voorbeeld maar: “you’re giving signal to the original creator that their post was valuable or meaningful. That means they’ll likely share more content like it” Dit overziet al een variabele, namelijk dat “content” soms eindeloos kopieerbaar en reproduceerbaar is, maar soms ook niet. Als ik op straat een mooie graffiti gezien heb, die post en er dan veel likes mee vergaar, moet ik dan de volgende dag actief op zoek gaan naar andere mooie graffiti’s? Als iemand een bepaald specifiek probleem heeft en ik zet de oplossing op Facebook, moet ik dan nog maar eens en nog maar eens de oplossing eropzetten als het geliket wordt? Er is immers maar één oplossing.

Als iedereen Bob Dylan zou kopiëren, zou ik het schitterend vinden. Maar dat gaat niet. Zelfs Bob Dylan zelf kan nog maar af en toe een goed Bob Dylan-nummer maken.

Weliswaar is dit probleem minder en minder van toepassing als het om video’s of grappige foto’s gaat, want daar is er een eindeloze voorraad van. Dat is een voorbeeld van hoe de werkelijkheid zich al heeft aangepast aan het systeem om het systeem beter te laten draaien. Het werkt alleen conformisme in de hand.

Maar in plaats van dat de werkelijkheid zich aanpast aan het systeem zou beter het omgekeerde gebeuren. In de werkelijkheid zijn er dingen die de massa bevallen en dingen die alleen individuen bevallen. Hoe kan een systeem dat zich alleen baseert op de massa ook belangrijke dingen selecteren voor een specifiek individu? Niet. Men kan in het begin kortstondig geloven dat daar wel een mouw aan te passen zal zijn, maar dan beseft men dat het een dood spoor is.

Tenzij men probeert het te forceren. en dat is ook wat er gebeurt. Men probeert ons op te voeden, ons enthousiast te maken voor deze op de massa gebaseerde intelligentie. We zullen er wel degelijk een mouw aan passen, want binnen elk individu is er ook een massa aanwezig. Jij bent geïnteresseerd in schaken, je buurman in koken. Goed, voor jou selecteren we het nieuws dat jou het grootste deel van de tijd interesseert en dat wordt dan schaaknieuws. Voor je buurman wordt het kooknieuws. Zo komen we er wel. Maar het principe blijft hetzelfde. Het is alleen in plaats van de grootste gemene deler onder alle mensen veranderd in de grootste gemene deler binnen jezelf.

De enige manier om het systeem werkelijk toepasselijk te maken op het individu is een onmogelijkheid, want het zou er een totaal ander systeem van maken. Ik zou gemakkelijk kunnen uitleggen welke inhoud ik, als individu, graag lees. Maar om die in een algoritme te stoppen, zou het algoritme toegang moeten hebben tot de innerlijke samenhang van wat ik bedoel, en dat kan niet. Spijtig voor Facebook, Google en de adverteerders, want ik zou er waarschijnlijk nog voor willen betalen ook. Ik zal het voorlopig moeten stellen met menselijke intelligenties die het wel snappen en die nieuws voor mij kunnen selecteren dat mij aanstaat. Een algoritme kan alleen zien dat ik zoveel schaakartikels heb gelezen, niet wat mij eraan interesseert of waarom. Het blijft bij de buitenkant staan en het kan ook niet anders. Als ik een kookartikel zou lezen dat per vergissing getagd was als schaakartikel zou het niet eens merken dat ik een artkel gelezen had dat atypisch was voor mijn profiel.

Samenvattend, het soort intelligentie waar men tegenwoordig zijn heil in zoekt is heel goed in sommige dingen en niet goed in andere dingen. Men wil het toch die andere dingen laten doen, maar dat gaat in tegen de zaak zoals ze ineen zit. Men zou in plaats daarvan moeten doen wat men anders in een dergelijke situatie doet, namelijk de te eenvoudige theorie aanpassen aan de complexere werkelijkheid. De dingen die deze intelligentie goed kan, zijn alleen die dingen die conformisme in de hand werken en originaliteit onder de mat vegen. Dat is niet de fout van het systeem, want het systeem kan daar niets aan doen. Het is onze fout dat we ons heil willen zoeken in dit systeem en niet in een beter. Er is ook niets mis met conformisme op zich, want het is de normaalste zaak van de wereld dat we spontaan dingen op een gemeenschappelijke noemer willen brengen. Maar vaak is het ook niet meer dan een reflex: omdat we nog niet tot het punt gekomen zijn dat we weten of we iets mooi, juist, goed, interessant, lelijk … vinden, nemen we de mening van de meerderheid over.

——-

Update 4/08/12

Dit was een post die ik al een jaar wou schrijven, sinds ik het artikel over conformisme gelezen had. Toch is het pas door het uit te schrijven dat de oorspronkelijke en voornaamste motivatie me terug voor de geest is komen te staan. Toen ik het artikel las, dacht ik namelijk: akkoord, conformisme is de norm; maar wat zou daar tegenover staan? Antwoord: dat ons leven zich meer en meer op sociale media afspeelt, maar dat we desondanks tegen het conformisme ingaan. Welnu, juist dat is welhaast een onmogelijkheid geworden. Want ookal zou iedereen vooral geïnteresseerd zijn in de unieke dingen die hem als individu interesseren, dan nog zouden de algoritmes ons toch in de richting van de grootste gemene deler sturen. En dat is zo een beetje het punt dat aan de aandacht ontsnapt.

Is er veel veranderd sinds de komst van het internet?

Het antwoord op de vraag in de titel is: natuurlijk. Het vinden van toepasselijke voorbeelden laat ik over aan de lezer. Zelf vind ik het bijvoorbeeld interessant dat zowel ons wereldbeeld als ons dromen over een betere wereld veranderd zijn.

Maar tegelijk zijn er ook voorbeelden te geven van waarom er niet zo heel veel veranderd is. Je zou dus kunnen aanvoeren dat het antwoord ja en nee is, veeleer dan het meestal gehoorde ondubbelzinnige ja. Enkele tamelijk willekeurige voorbeelden.

1) Het speciale raakvlak tussen onoverzichtelijke chaos en spontane organisatie, dat ervoor zorgt dat dingen zich op een heel speciale manier kunnen verspreiden, vaak aangeduid met het woord viraal, lijkt toch een helemaal nieuw verschijnsel te zijn, nietwaar? Natuurlijk klopt dat in bepaalde opzichten, maar in andere niet. Ik geloof niet dat een merk, een videofilmpje of een noodnummer voor slachtoffers van een ramp op zichzelf de eigenschap kunnen hebben dat ze viraal zijn. Het ligt alleen aan het kader dat gevormd wordt door de huidige multimediale realiteit, dat ze dergelijke eigenschappen krijgen. Hetzelfde filmpje dat nu de meeste hits heeft op youtube zou in de realiteit van twintig of vijftig jaar geleden ook een van de meest succesvolle filmpjes geweest zijn. Natuurlijk was de realiteit anders. Twintig jaar geleden kwamen funniest home video’s misschien maar een keer in de week op de tv, en vijftig jaar geleden bestond het concept waarschijnlijk niet eens. Maar singletjes bestonden al wel bijvoorbeeld.

Tegenwoordig zie je vaak reclamecampagnes die gemaakt lijken te zijn om vooral zo viraal mogelijk te zijn. Maar onafhankelijk van het hele discours rond web 2.0 en web 3.0 enzoverder, zijn het simpelweg de beste ideeën die het meeste succes hebben en het snelst verspreid worden. Met andere woorden, aan wat precies succes veroorzaakt is nog niets veranderd, dat blijft gewoon afhankelijk van het hebben van een goed idee. Het enige wat veranderd is, is dat er een discours bijgekomen is waarin het gaat over viraal en de rest van de modewoorden. Mensen hebben zitten analyseren wat een reclamecampagne succesvol maakt en hebben geobserveerd dat succesvolle campagnes razendsnel verspreid worden. Ervan uitgaande dat het virale het een eigenschap is, gaan ze ervan uit dat nieuwe campagnes ook zo viraal mogelijk moeten gemaakt worden als ze succes willen hebben. Maar is het virale aspect niet veeleer een gevolg van het succes? Ik bedoel, is het niet veeleer zo dat in de huidige realiteit onmiddelijke razendsnelle verspreiding automatisch plaatsvindt zodra iets succes heeft, net zoals het zich in de realiteit van een paar decennia geleden ook snel verspreidde, maar gewoon iets trager dan vandaag? Dan zou je inderdaad moeten zeggen dat wat een campagne tot een goede campagne maakt niet veranderd is, en dat er alleen een overbodige discours bijgekomen is dat alles nodeloos wil interpreteren in termen van web 2.0. Dan zou de situatie inderdaad zijn dat men nodeloos nadenkt over wat de campagne viraal zou kunnen maken, inplaats van een goede campagne te bedenken, die als ze succesvol is automatisch ook viraal wordt.

2) Ons leven speelt zich meer online af. Degenen die opgegroeid zijn voordat het internet zo alomtegenwoordig is geworden als het nu is, kunnen zich soms niet voorstellen wat jonge mensen tegenwoordig op het internet zetten.

Maar is dat een symptoom van iets nieuws, of is het een symptoom van iets wat vroeger ook al zo was? Toen ik vijftien was en nog geen idee had van wat internet was, schreef ik in mijn dagboek op een manier die niet zo heel erg verschilt van wat ik vermoed dat de vijftienjarigen van nu doen. Bij wat ik schreef en hoe ik het schreef hield ik rekening met hoe het zou zijn als iemand mijn dagboek zou lezen. Ik verwoordde mijn verzuchtingen op ene manier en niet op de andere, omdat ik rekening hield met lezers. Natuurlijk, die waren er niet. Maar als ik dan naga hoe het zou geweest zijn als de technologie er was geweest, en de andere mentaliteit omtrent wat privé is en wat niet – kortom, hoe het zou geweest zijn als het 2012 was geweest en niet 1996, dan denk ik dat ik ongeveer hetzelfde zou geschreven hebben. De hele omgeveing waarin ik het geschreven had zou verschillend geweest zijn, maar de woorden niet. Juist beschouwd schreef ik toen ook al voor een publiek, een publiek waarvan ik hoopte maar niet echt geloofde dat het talrijk zou zijn en in alle opzichten een even anoniem publiek als je dat tegenwoordig op het internet vindt.

Een ideaal is iets dat er nog niet is

“Ach ja, er wordt hier wel nog enorm veel gif gespoten. Gelukkig zijn er ook een paar boeren die het biologisch doen, zoals honderd jaar geleden.” Mijn mama maakte deze opmerking terwijl we door de Griekse velden reden. Het trof me, want ik wist ze ook inderdaad bedoelde dat geen gif spuiten, landbouw van vroeger en biologische landbouw min of meer hetzelfde waren.

Er zijn natuurlijk honderden manieren om het begrip biologische landbouw in te vullen, en geen een ervan heeft meer aanspraak dan de anderen om voor de enige ware door te gaan. Maar toch, ik voel me geroepen om in deze veelheid een paar onderscheidingen aan te brengen.

Op een punt in het bijzonder wil ik wijzen, en wel een punt dat goed geïllustreerd wordt door het voorbeeld van het gif spuiten. Dus ik begin daarmee.

Iedereen weet dat biologische landbouw meer is dan geen pesticiden te spuiten. Desondanks is er een sterke suggestie om een boer die dit niet doet te beschouwen als een biologische boer. Een nog sterkere suggestie is wellicht aanwezig om te denken dat biologische landbouw voornamelijk de klok zou willen kunnen terugdraaien. Waarom? Omdat dat het makkelijke deel is om zich voor te stellen.

Het andere deel is veel moeilijker om zich voor te stellen. Maar ik weet dat ik door over “delen” te spreken reeds begin de dingen in een bepaald kader onder te brengen. Dus laat ik het anders zeggen. Volgens mij is een interessante manier om de zaak te beschouwen dat je twee polen onderscheidt aan de uiteinden van een breed spectrum. Aan de ene kant heb je de pool waar je meent dat biologische landbouw hetzelfde is als oude landbouw, voor alle technische vooruitgang. Aan de andere kant heb je de pool waar je meent dat biologische landbouw meer is, maar deze pool is veel moeilijker voor te stellen. Hier moet je je voorstellen dat de biologische boer voor zichzelf een beslissing maakt: ik zou wel willen boeren zoals mijn overgrootouders, maar dat is zonder meer onmogelijk geworden. Reken maar uit hoeveel liters ijs er in de grootwarenhuizen opgestapeld ligt; het aantal koeien dat je daarvoor nodig hebt overstijgt vele malen het maximum aantal dat men hier te lande kon houden in de tijd van mijn overgrootouders. En dat is maar een willekeurig voorbeeld. Men zou werkbare manieren moeten vinden om op een – zoals dat heet – respectvolle manier aan landbouw te doen. Maar die manieren zijn niet voorhanden. De eenvoudige oplossingen alleszins schieten te kort, en met eenvoudige oplossingen als geen pesticiden spuiten of de klok terugdraaien is niets gewonnen. Men moet dus voortdurend worstelen om oplossingen te vinden in het licht van een veranderde wereld. De oplossingen zullen moeten komen uit een ander vaatje dan dat waaruit de eenvoudige oplossingen getapt worden, ze zitten een een vaatje dat nog maar nauwelijks ontsloten is. We zullen moeten verderspartelen met wat we er al van ontdekt hebben en hopen dat we er meer van ontdekken, voor we de strijd voor een respectvol omgaan met de natuur helemaal moeten opgeven.

Om het samen te vatten, de andere pool is dus de pool waar de juiste techniek die techniek is die én recht doet aan de eisen van de hedendaagse maatschappij, én werkt zonder overduidelijk op lange termijn schadelijk te zijn. Alleen schijnen deze technieken nauwelijks voorradig te zijn, hoogstens in kiemstadium.

Men kan dezelfde situatie waarnemen op vele andere plaatsen. Men kan denken aan nieuwe onderwijsvormen, alternatieve geneeskunde. Dat zijn nu voorbeelden die mij gemakkelijk te binnen schieten vanuit mijn interesse in de antroposofie, maar je kan bijvoorbeeld ook denken aan de andersglobalisten.

Je hebt in het denken van de mensen over al deze alternatieve bewegingen de twee polen, en dan het hele spectrum van tussenposities. Ik beweer dat de ene pool gemakkelijker te denken is dan de andere. Een van de interessante gevolgen is de parallellie tussen de kritiek op deze bewegingen en de bewegingen zelf.

In de kritiek erop schemert heel vaak de ene pool door, namelijk het begrip van de zaak als een louter terugwillen of als een louter willen vermijden van de lelijke kantjes. Het is uit de zaak zelf gemakkelijk om daar kritiek op te geven. Maar je kan de kritiek dan ook weer niet onterecht noemen, als er ook heel wat mensen “bezig zijn” met biologische landbouw zonder daar veel meer bij te denken dan dat het vroeger beter was. Dit soort van kritiek schiet totaal voorbij aan wat de mensen aan de moeilijkere pool proberen te bereiken, maar dat doet er niet veel toe, want er zijn aan de gemakkelijk pool genoeg enthousiastelingen op wie ze wel van toepassing is. En de term, dus bijvoorbeeld biologische landbouw of alternatief globalisme, blijft ondertussen toch slaan op het gehele spectrum. Je zou in principe de term willen kunnen ontdubbelen, bijvoorbeeld in “retro-landbouw” en “vooruitstrevende groene landbouw”, maar dan zit je met het probleem dat je eigen idee profileren als het ene ware idee nooit tot iets goeds leidt.

Er zijn nog een aantal op zichzelf staande problemen die de hele kwestie compliceren.

Ten eerste is het voor degenen die kritiek willen geven op een vooruitstrevende idee heel moeilijk om het vooruitstrevende in het oog te vatten en niet het terugwillen. Om bij het voorbeeld te blijven, het is heel moeilijk om biologische landbouw als iets anders te zien dan geen pesticiden spuiten en terugwillen naar vroeger. Immers, de landbouw van honderd jaar geleden is iets wat al gekend is. Voor een sceptisch iemand die voor het eerst over biologische landbouw hoort is de verleiding groot om in de volgende gedachtengang te vervallen. “Wat willen die mensen eigenlijk doen? Aha, ze willen eigenlijk landbouwen zoals vroeger. Maar dat is iets dat ik heel goed ken! Ik ben ook voor landbouw zonder pesticiden, of ik zou er tenminste voor zijn als het nog mogelijk was – hetgeen echter niet het geval is. Maar ik ken hun project eigenlijk heel goed.” Alleen door het feit dat iets bekend en benoembaar is, wordt het de categorie waarin vreemde nieuwe dingen worden ondergebracht, ookal horen ze daar eigenlijk niet thuis.

Ten tweede is het verlangen naar een ideaal meestal eerder daar dan de articulatie ervan. Iemand kan een verlangen hebben naar een groenere wereld maar nog niet alles tot een voor zichzelf bevredigend punt overwogen hebben. Hij heeft alleen nog maar zijn verlangen. Misschien dat hij tot de conclusie zal komen dat hij terug naar vroeger wil. Misschien komt hij tot de conclusie dat alleen de reguliere wetenschap de meest duurzame antwoorden kan bieden in een wereld waar echte duurzaamheid een illusie is geworden. Misschien komt hij tot ideeën over hoe je het anders en beter kan doen in een veranderde wereld. Maar voorlopig heeft hij alleen zijn verlangen. Een dergelijk iemand kan voor een scepticus waarschijnlijk even weinig betekenen als de scepticus voor hem. Hij kan de scepticus alleen maar materiaal geven dat deze al lang overwogen en verworpen heeft, en de scepticus kan met zijn kritiek alleen maar aanknopen aan de pogingen om het ideaal te verwoorden, niet aan de bron waar deze pogingen aan ontspringen.

——-

Toen we door de velden reden en deze gedachten door mijn hoofd schoten, moest ik echter ook aan mijn promotor op de universiteit denken. Ik schreef een thesis over Steiner en hoewel hij niets van Steiner wist wou ik toch bij niemand anders mijn thesis doen. Ik bewonderde en bewonder nog altijd de scherpte van zijn argumenten. Ik heb hem niet kunnen overtuigen van mijn eigen argumenten, hetgeen aan de ene kant ook nooit mijn bedoeling was, maar aan de andere kant was hij wel een van de voornaamste onder de denkbeeldige gesprekspartners tot wie ik mij in mijn thesis richtte.

In de opmerking van mijn mama hoorde ik nu plots ook zijn kritiek op Steiner. Eigenlijk was de opmerking pro biologische landbouw bedoeld, maar zoals ik heb proberen uit te leggen is het begrip van biologische landbouw dat eruit spreekt tegelijk ook de voornaamste schietschijf voor de critici. Daarbij ging de opmerking over landbouw en niet over Steiner of antroposofie, maar toch is het dezelfde kritiek als de zo typische en afgezaagde kritiek op Steiner of op de antroposofie.

Er is een verschil tussen enerzijds kritiek geven op een bepaalde praktijk en anderzijds kritiek geven op een omvattende wereldbeschouwing die bovendien methodisch onderbouwd is. Maar de vaakst gehoorde kritiek op Steiner en zijn omvattende wereldbeschouwing is geheel en al dezelfde als de typische kritiek die men hoort als het over biologische landbouw gaat: “Aha, Steiner wil dus terug naar een pre-kritische filosofie.” Ondanks de gemeende pogingen van een zo scherp denker als mijn promotor om al mijn andere redeneringen te volgen en te begrijpen, bleef die reactie toch in de weg zitten. Het denken denken van Steiner bleef voor hem in een categorie steken waar hij niet van hield. Het obstakel was niet de argumentatie, maar het feit dat het denken van Steiner te veel leek op andere stromingen die wel bekend en benoembaar waren, en dat daardoor het toekomstgerichte, dat zijn benoembaarheid alleen als iets toekomstigs meedraagt, onzichtbaar werd.