Brieven aan Peter Verlinden

Beste Peter Verlinden,

 

Ik heb net de zeer overtuigende brief van Mevrouw Homans gelezen en dat heeft me helemaal de ogen geopend. Nu voel ik mij toch gedrongen om u te vragen: waar haalt u eigenlijk de vermetelheid vandaan om te beweren dat we, als Vlamingen, au fond allemaal racisten zijn? Vermits ik weiger mee te stappen in een dergelijk discours, behoud ik mij het recht voor om alles wat u zegt te verwerpen. U zal uw opiniestuk dan maar moeten herschrijven op een zodanige manier dat niemand nog kan beweren dat u beweert dat we au fond allemaal racisten zijn. Veel succes daarmee!

 

Met vriendelijke groeten,

 

een bezorgde burger

*******

Beste Peter Verlinden,

 

Bedankt voor uw snelle antwoord. Ik heb het net nagelezen en inderdaad bent u niet degene die stelt dat we als Vlamingen allemaal racisten zijn. Het is uw oud-collega William Van Laeken. Merkwaardig dat dat me ontgaan was in het stuk van Mevrouw Homans.

Maar ik weiger nog steeds mee te stappen in dat discours. Daarom zal ik niet eerder in staat zijn de inhoud van uw artikel te overwegen dan wanneer uw oud-collega zijn ranzige, beledigende onzin teruggenomen heeft of dan wanneer u formeel afstand genomen heeft van zijn ranzige, beledigende onzin, of dan wanneer u nog minder met hem te associëren zal vallen dan door een oud-collega te zijn!

 

Met vriendelijke groeten,

 

een bezorgde burger

*******

Beste Peter Verlinden,

 

Ik begrijp uit uw brief dat u betwist dat u zou vinden dat alle Vlamingen au fond racisten zijn. Wel het is niet aan mij om dat te motiveren. Maar om u ter wille te zijn, zal ik het naar mijn beste kunnen proberen uit te leggen. Niemand zal kunnen zeggen dat ik ervoor terugdeins de dingen bij hun naam te noemen!

Op kantoor ben ik altijd degene die koffie zet, omdat ik meestal als eerste aankom. Vorige week was ik uitzonderlijk een half uur te laat. Niemand had koffie gezet. Ik sprak daar een collega op aan, toevallig een andersgekleurde collega, en vroeg hem waarom niemand anders koffie gezet had. Het is niet zo dat ik de enige ben die koffie drinkt; alle collega’s drinken koffie als ik hem zet. Ik was dus met recht en reden een beetje ontstemd.

De collega die ik aansprak verontschuldigde zich en zei dat hij er gewoon niet aan gedacht had. Maar in de blik waarmee hij me aankeek zag ik geen verontschuldiging. Al sprak hij het niet uit, zijn ogen beschuldigden me. Hij vond dat ik een racist was.

En dat is precies wat er gebeurt als men altijd maar doekjes windt om bepaalde thema’s, in plaats van te zeggen waar het op staat. Er zijn twee mogelijkheden: ofwel durven we op te treden tegen dergelijk gedrag, ofwel blijven we bij de pakken neerzitten, maar dan moeten we ermee leven voortdurend als racist beschouwd te worden door alles en iedereen. U hoort duidelijk in het kamp van degenen die er doekjes om willen winden. U spreekt bijvoorbeeld van de “dreigende terreur van het racisme”, terwijl het Vlaams Belang juist tot minder dan de helft van zijn kiezers gereduceerd is! U hangt een discours aan dat er onvermijdelijk in uitmondt dat we vooraleer we iets doen of zeggen drie keer moeten nadenken of we niet toevallig op iemands tenen trappen, en zelfs dan nog niet de garantie hebben om nooit voor racist uitgescholden te worden.

Ik hoop dat ik het daarmee voldoende geïllustreerd heb.

U vraagt verder wat het verschil is tussen de standpunten van de N-VA en die van het Vlaams Belang.

Wel het kan toch niet duidelijker! Ten eerste is het Vlaams Belang een racistische partij en de N-VA niet, zoals iedereen weet. Ten tweede zouden Filip Dewinter of Gerolf Annemans nooit schrijven wat Liesbeth Homans schrijft in haar stuk. Ik citeer:

“Mag ik eerst en vooral mijn afschuw uiten voor wat u en uw gezin is overkomen. Een huis bekladden met scheldwoorden op basis van de huidskleur van de bewoners, dat is onaanvaardbaar. Dit is een daad van zuiver racisme waar geen verzachtende omstandigheden voor bestaan. Ik begrijp maar al te goed hoe bedreigend deze laffe actie overkomt bij uw vrouw en kinderen en hoop dat zij zich snel opnieuw veilig voelen in een Vlaanderen dat hen vanzelfsprekend als een burger onder de burgers beschouwt. Dat is niet alleen mijn persoonlijke wens. Het is ook ondubbelzinnig het maatschappijbeeld waar mijn partij, de N-VA, voor staat.”

En verder:

“U zal ons steeds problemen bij naam horen noemen, maar altijd zullen wij een opdeling van de bevolking op basis van huidskleur volstrekt onaanvaardbaar vinden.”

 

Met vriendelijke groeten,

 

een bezorgde burger

 

Gedachte

Stel dat ik voor de doodstraf ben, maar zeventig procent van mijn sociale omgeving is ertegen. Stel verder dat ik een soort woordvoerder ben van de dertig procent die ervoor is. Er vinden vaak discussies plaats, en nu merk ik dat veel mensen dingen zeggen die impliceren dat ik ongelijk heb. Hoe zal ik hierop reageren? Zal ik ingaan op deze argumenten tegen mijn positie, en ze proberen te weerleggen? Of zal ik helemaal niet luisteren en gewoon zeggen: “er is toch zo’n verschrikkelijke haat tegen ons!”
Stel dat mijn voorkeur voor de doodstraf niet gedeeld wordt door dertig, maar door eenenvijftig procent van mijn sociale omgeving: zelfde verhaal, alleen is het dan nog vreemder dan in het eerdere geval om mij in een slachtofferrol te wentelen.
“Er is zoveel haat jegens de N-VA!” Ik kan nog begrijpen dat sympathisanten van de partij dat zo aanvoelen, zolang het over loutere algemeenheden gaat, bijvoorbeeld over mensen die zeggen dat N-VA’ers allemaal opportunisten zijn, allemaal egoïsten, allemaal fascisten. Maar zodra er ook maar een beetje een reden gegeven wordt om het oneens te zijn met de standpunten van de N-VA, is het toch onbegrijpelijk dat beschuldigingen van N-VA-haat hierop een afdoende repliek zouden kunnen zijn. Als je elk argument tegen je positie afdoet als willekeurige kritiek, enkel omdat men zogezegd tegen je is, wat is dan nog het verschil met een migrant die elke commentaar op zijn gedrag of levenswijze afdoet als blind racisme?

Ongeordende gedachte over epistemologie (15)

Vorige posts in de reeks: hier en hier.

15. Genaturaliseerde epistemologie of interdisciplinaire epistemologie?

Al vormt epistemologie dan traditioneel een van de kernthema’s binnen de filosofie, in de filosofie die momenteel het hoge woord voert is deze rijke traditie nauwelijks aanwezig. In plaats daarvan laat men de epistemologie sterk aanleunen bij de wetenschap. De angelsaksische filosofie heeft het thema in hoge mate naar zich toegetrokken, en ookal bestaat er zeker wel een continentale epistemologie, waarin men meer geneigd is nog lessen te trekken uit Aristoteles, Kant en de anderen – de angelsaksische tendens is toch zo sterk dat je lange tijd filosofie kan studeren zonder met die continentale epistemologie in contact te komen.

De angelsaksische epistemologie in haar extreme vorm is de genaturaliseerde epistemologie. Over die stroming en haar streven heb ik mijn ei al eens proberen te leggen in deze post, zij het onder lange en menigvuldige barensweeën; het is moeilijk om alle bedenkingen die ik mij erbij vorm in woorden te gieten.

Er is echter ook de omgekeerde vraag. Wat is het positieve aan het streven naar een genaturaliseerde epistemologie?

De epistemologie is helemaal genaturaliseerd wanneer het niet meer de filosofie is die, zelfs al is het maar gedeeltelijk, ons leert wat het menselijke kennen is, maar in tegendeel de wetenschap. Dus bijvoorbeeld de neurobiologie of de evolutietheorie, in een extreem geval zou het zelfs ook onderzoek naar het gedrag van apen kunnen zijn. Filosofie zou dan nog steeds een rol te vervullen kunnen hebben, bijvoorbeeld in verband met de vraag hoe de wetenschappelijke resultaten precies te rijmen zijn met onze spontane, common sense ideeën over wat het menselijke kennen is. Dit zou echter een dienende rol zijn voor de filosofie. Op het antwoord dat de wetenschap geeft op de vraag waar het allemaal om draait, “wat is kennis,” zou de filosofie niets af te dingen hebben.

Ik zie toch een positief aspect in deze tendens. Het is inderdaad een treurige situatie als je een verzameling filosofische theorieën over kennis hebt en een verzameling wetenschappelijke theorieën, en als er dan geen enkele interactie plaatsvindt tussen die twee verzamelingen. Men kan er immers toch enkel iets bij winnen als men de zaak eens vanuit de andere kant bekijkt. Een interfacultair centrum voor epistemologie, waarin zowel filosofen als wetenschappers vertegenwoordigd waren, zou op zijn minst toch tot interessante gesprekken moeten voeren, met nieuwe, verfrissende gezichtspunten. In die zin, namelijk als ik het streven van de angelsaksiche epistemologie zo opvat, ligt er iets positiefs in wanneer men de filosofische en de wetenschappelijke uiteenzetting met het thema kennis zoveel mogelijk tot een enkel, eengeworden project probeert samen te smeden. De vorm waarin dat nu geschiedt is dan de genaturaliseerde epistemologie, en omdat ik die als een onvolkomen incarnatie van dit streven beschouw, namelijk omdat ze te weinig recht doet aan de specifieke aard van het menselijke denken, zie ik daar iets minder positiefs in. Maar het streven naar een eengeworden project moet ik toejuichen.

Kan ik harde bewijzen geven dat de tendens naar naturalisatie van de epistemologie onvolkomen is? Nee. Maar ik kan wel een half- of kwart-bewijs geven in de vorm van een observatie. Men zoekt namelijk in de filosofische epistemologie heel graag de dialoog op met de neurowetenschappers. Maar men vergeet domweg om de dialoog te zoeken met bijvoorbeeld marketingjongens. Die worden niet uitgenodigd om te zetelen in interfacultaire centra, terwijl die nochtans even interessante dingen te vertellen zouden hebben over hoe het menselijke brein werkt – in de vorm van hoe het te manipuleren valt, maar dat verandert eigenlijk niets aan de zaak. Dat men de ene groep specialisten in de kennis of het denken wel wil raadplegen en andere groepen zoals de marketingjongens niet, is een merkwaardig symptoom. Het wijst erop dat men er meer in geïnteresseerd is toch maar wetenschappelijk te zijn, dan te ontsluieren hoe de kennis of het denken werkelijk begrepen moet worden.

Een kritische geest hebben en toch voor de N-VA stemmen

De menselijke kant van het succes van de N-VA blijft me fascineren. Een vraag die ik me vaak gesteld heb is: hoe komt het toch, dat juist veel van die mensen die me in mijn jeugd hebben geleerd om kritisch te denken in de laatste jaren aanhangers van de N-VA zijn geworden, een partij die veel van waar zij mij voor hebben gewaarschuwd lijkt te belichamen?

Hier het zoveelste idee in een lange rij van pogingen om op deze vraag een antwoord te vinden.

Misschien zijn het mensen die niet slechts op één manier, maar op twee manieren hun denken ten dienst stellen van het leven als individu in een moderne wereld. De ene manier is het kritische denken, dat ze mij op een zo indringende manier hebben weten over te brengen toen ik jonger was. Je moet als individu in de hedendaagse maatschappij kritisch zijn tegen alles wat je bestormt. De tweede manier is het waakzaam zijn voor gelegenheden. Je moet als individu in de hedendaagse maatschappij in staat zijn om kansen te grijpen waar die zich voordoen. Het is een harde wereld, maar een gescherpt verstand kan ook met een moeilijke hand een paar slagen binnenhalen.

Misschien is de N-VA er wel in geslaagd om de indruk te wekken: er is nu een kans, met de nadruk op kans, om te stemmen op een partij die misschien iets gaat veranderen! Het is geen ideale stem, en op heel veel punten is de N-VA-beweging nog work in progress, maar zo is het met alle kansen die zich in het leven aanbieden. Altijd zijn er nadelen aan verbonden, die moeten afgewogen worden alvorens je besluit dat ze al dan niet opwegen tegen het verwachte resultaat. Bovendien, je mag het een initiatiefnemer niet kwalijk nemen dat hij dingen uitprobeert, die dan als neveneffect een paar nadelen opleveren. Dan had je zelf maar het initiatief moeten nemen.

De indruk die de N-VA misschien wel heeft kunnen wekken: het voorhanden zijn van onze partij is een gelegenheid die men moet aangrijpen, en in de mate dat het een gelegenheid is, legt dat simpele feit (c.q. die simpele perceptie) veel meer gewicht in de schaal, dan de gewone overwegingen, die bij “normale verkiezingen” van tel zijn.

Het is het tweeede element, niet het eerste van de kritische geest, dat in dit verklaringsmodel zou leiden tot de keuze voor de N-VA.

Het programma van de partij op wie ik zou willen stemmen

(In alle voorlopigheid en met het voorbehoud dat ik dit in een bevlieging geschreven heb.)
(Het is, uiteraard, voor een stuk gebaseerd op ideeën van Steiner. Dat is meteen ook de noemer waaronder het indien nodig zou mogen samengevat worden.)

*******

De programmapunten:

  • Wij gaan voor oplossingen op lange termijn. Wat wil dat zeggen? Kijk bijvoorbeeld naar energie. Er is geen goede kortetermijnoplossing voor het tekort aan energie. Nu moeten alle politieke maatregelen weliswaar ook rekening houden met kortetermijnfactoren. Maar wij willen ervoor zorgen dat er naast die kortetermijnfactoren ook nog nagedacht wordt over de langetermijnfactoren. Bijvoorbeeld door naast de ad hoc-oplossingen ook te investeren in een project om binnen veertig jaar een langetermijnoplossing gevonden te hebben, waarvan we nu nog niet weten hoe het eruit zal zien. En hetzelfde met alle andere structurele problemen. (Een dergelijke mentaliteit zal in de regel weggelachen worden. Maar waarom niet vissen in de vijver van de mensen niet willen stemmen op de partijen die nu voorhanden zijn?)
  • Wij engageren ons om niet de waan van de dag te volgen. Wij zullen hem misschien wel volgen als het onduidelijk is of het waan of juist trefzekerheid is; maar er zijn zoveel situaties waarin het overduidelijk waan is. Geen gemelk over de wet-Lejeune als blijkt dat Dutroux daardoor vervroegd vrijgekomen is. Geen installatie van netten boven alle gevangenissen als er een keer iemand met een helicopter ontsnapt. Enzoverder. Dat is ons engagement.
  • Wij willen volks zijn in de zin dat we het gezond verstand gebruiken, liever dan theorieën. De idee dat je een bedelaar helpt door hem eten te geven is in overeenstemming met het gezond verstand. De idee dat je een bedelaar niet helpt door hem eten te geven is niet in overeenstemming met het gezond verstand want er is een theorie voor nodig die even goed juist als fout zou kunnen zijn (in dit geval de idee dat er een soort natuurwet is, die zegt dat bedelaars werken als ze geen eten hebben en niet werken als ze wel eten hebben). En zo voor alle andere kwesties.
  • Wij willen alle regularisatie op het gebied van onderwijs zoveel mogelijk terugschroeven om tot een maatschappij te komen waarin niet “Brussel”, maar de leraars die zelf voor de klas staan de specifieke problemen die zich daar stellen naar hun beste vermogen kunnen en mogen oplossen, eerder ondersteund door ervaringen van collega’s en ervaringsgebaseerde specialisten dan door de bevliegingen van wereldverbeteraars, quotastaarders of werkloosheidsdiensten.
  • Wij zijn bereid complexe economische beslissingen in de handen te leggen van de specialisten en niet noodzakelijk in die van de politiek verkozenen met hun ideologieën, zolang zij de democratisch overeengekomen politieke rechten en plichten van alle burgers respecteren. (Dit om de simpele reden dat de complexe economische kwesties niet op dezelfde manier een zaak zijn waarover ik mij als burger uit te spreken heb, als de politieke rechten en plichten dat zijn. Over de vraag in welke mate economische motieven mijn gezondheid mogen inperken, kunnen Gust en Patrick aan de cafétoog verschillende meningen hebben. De politiek moet met hun mening rekening houden omdat het een zaak is waarover iedere burger zou moeten kunnen meespreken. Dus Gust stemt voor een partij die vindt dat het recht op gezondheid absoluut is, Patrick voor een partij die economische belangen onder omstandigheden wel uitzonderingen wil toestaan, denk Oosterweelverbinding. Een democratisch proces moet hier tot een beslissing voeren die wet wordt, omdat alle burgers hierover recht van spreken hebben. Hetzelfde geldt niet voor maatregelen om bijvoorbeeld het mestoverschot op te lossen – of beter gezegd: het geldt niet op dezelfde manier. Dit is geen zaak van alle burgers, maar van al diegenen die tot op zekere hoogte de specifieke details van het dossier kunnen overzien. Niet iedereen is er ook op dezelfde manier bij betrokken; misschien is Gust een boer en Patrick een fabrikant van electronica. En bovendien speelt de discussie zich hier niet af in het rijk van rechten, die per definitie een definitief en algemeengeldend karakter hebben, maar in het rijk van economische voorspellingen, projecties en afwegingen. Het is niet op dezelfde manier een zaak van de burger, voor zover hij burger is. Het moet echter wel geregeld worden, omdat het de burger aanbelangt. In de mate van het mogelijke zou het door de specialisten in de betreffende materie geregeld moeten worden, die zoveel mogelijk rekening houden met de interesses van de economie als geheel.)
  • Voor alle politieke kwesties streven wij maatregelen na die gelijkheid bewerkstelligen.

Meditaties over een campagnefilmpje en waarom de N-VA gelijk en ongelijk heeft

Ik kon gisteren niet slapen van dit campagnefilmpje. Waarom grijpt het mij zo aan? Ik moet erover nadenken, ik kan niet anders.

——-

1. Het is een complete verrassing. Ik had nooit gedacht dat de N-VA met een dergelijk iets naar buiten zou komen. Ze zouden er toch alleen kiezers mee kunnen verliezen, en daarom zouden ze het nooit doen, zo zou ik onmiddellijk geantwoord hebben als iemand het idee van een dergelijk campagnefilmpje zou geopperd hebben. De standpunten die door de dame in het filmpje verwoord worden, en die onderschreven worden door de partijvoorzitter, wiens stem op het einde te horen is, zijn zo hard en categoriek dat ze wat mij betreft spelen met de grenzen van de fatsoenlijkheid. Alleszins op het eerste gezicht.

Als ik er langer over nadenk, merk ik dat het voor een stuk ook de grenzen van mijn eigen categorieën zijn waarmee gespeeld wordt. Ik ben degene die dergelijke taal onmiddellijk associeert met extreem-rechtse denkbeelden. Maar ten eerste: zijn ze dat ook? En ten tweede: betekent dit dat de denkbeelden volledig fout zijn? Nee, alleszins moet ik langer over de zaak nadenken vooraleer ik die conclusie kan trekken.

Ondertussen is de associatie, die gerechtvaardigd of ongerechtvaardigd kan zijn, wel de reden waarom ik gechoqueerd was. Immers, ik zou denken dat ik niet de enige ben die in de woorden van de persoon in het filmpje maar al te gemakkelijk extreem-rechtse retoriek herkent, en dat is hetgene dat volledig buiten mijn verwachtingskader viel en waar ik nooit van geloofd zou hebben dat de N-VA zou denken dat het goed campagnemateriaal zou zijn. Dat het als goed materiaal beschouwd wordt, en niet eens door een verdwaalde enkeling, maar door Bart De Wever zelf, heeft nog meer met verstomming slaande implicaties. Namelijk dat dit is wat de N-VA denkt dat bij de burger in goede aarde zal vallen. Ik dacht dat de burger hier los doorheen zou kijken.

——-

2. Maar is het wel zo verwonderlijk dat de N-VA denkt dat ze met deze boodschap meer kiezers zal winnen? Plots besef ik dat het helemaal niet verwonderlijk is. We weten toch heel goed dat er heel wat mensen zijn wier stem kan gewonnen worden met dit soort standpunten. Er waren ooit het Vlaams Blok en het Vlaams belang, en die hebben toch over bijna heel België 20% van de stemmen gehaald. Dus hoe erg het ook is om dit uit te spreken, je kan verwachten dat de N-VA veel stemmen zal halen als dit de koers is die het zal inslaan. Ik noem het erg, omdat ik daarmee over de Vlaamse burgers een uitspraak doe, die ik eigenlijk moet beschouwen als beledigend. Daarom haast ik mij om eraan toe te voegen dat ik hoop dat de burgers mij ongelijk zullen geven als de gelegenheid daar is.

——-

3. Daarmee zou de N-VA eigenlijk van een interessant en bijzonder fenomeen tot een oninteressant en alledaags fenomeen worden. Het was een partij met een heel eigen karakter. Ik zou zelfs meer zeggen: het was de enige geloofwaardige partij. Spijtig dat het partijprogramma was wat het was. Spijtig dat het van die aard was dat ik mij er nooit mee zou hebben kunnen verzoenen, maar anders had ik er graag op gestemd omdat het de enige geloofwaardige partij was. Terwijl nu … Als dit de koers is die de N-VA wil inslaan, wordt het gewoon een partij zoals we die al heel dikwijls gezien hebben. De ervaringen in binnen- en buitenland leren duidelijk genoeg dat het niet zo heel moeilijk is om 20% of meer van de stemmen te halen door uit te pakken met zaken als een “lik-op-stukbeleid”.

——-

4. Verdient een “lik-op-stukbeleid” op zich het etiket extreemrechts? Is er iets mis met extreemrechts? Zijn extreemrechtse denkbeelden zodanig inferieur dat het een belediging zou zijn als je van iemand vermoedt dat hij ze erop nahoudt? Over die vragen ben ik in het voorgaande heengestapt. Wat ik weet is dat veel mensen mij in de loop van mijn leven hebben proberen te waarschuwen voor extreemrechts. Als ik zomaar zou napraten wat leraars en goedmenende medemensen mij hebben willen inprenten, dan zou ik de luxe hebben om eenvoudig te antwoorden: “Ja, er is iets mis mee.” Ik zou zelfs het lik-op-stukgeval zonder aarzelen etiketteren als zeer verdacht. Maar wie zelf wil nadenken heeft natuurlijk die luxe niet.

Interessanter lijkt het mij om na te gaan in welke opzichten de dame in het filmpje, en dus automatisch ook de partijvoorzitter, gelijk heeft. Ik kan me er absoluut in vinden dat er iets niet vlot genoeg loopt in de rechtspraak. Er zijn manieren genoeg om te doen wat niet mag en toch niet bestraft te worden. Je kan de regel botweg overtreden en erop rekenen dat het protest te moeilijk te organiseren zal zijn of juist gemakkelijk te boycotten. Je kan onduidelijkheden in de wet aangrijpen om iemand te benadelen omdat je weet dat jij meer tijd, geld of macht hebt. In beide gevallen, en nog vele andere, kunnen rechters in de positie geplaatst worden dat ze op basis van wat de dure advocaten van de verdediging naar voren brengen de beklaagde partij eigenlijk niet schuldig kunnen vinden, terwijl het voor hun heel duidelijk is dat hij wel degelijk bewust immoreel gehandeld heeft. Ik zou het goed vinden als er een ander juridisch systeem zou zijn, waarin de rechter onmiddellijk zijn moreel besef kan laten gelden. Er zou vanzelfsprekend een kader moeten zijn waarbinnen zo iets pas mogelijk kan worden, maar ik geloof dat de regels en de letter van de wet nu te veel overwicht hebben en dat er manier moeten kunnen gevonden worden waarop het onmiddelijke morele besef een grotere rol kan spelen. Tenslotte is de inhoud van de al de huidige regels ook alleen maar ingegeven door moreel besef van individuen.

De N-VA heeft wat mij betreft dus een kern van waarheid op het oog. Maar dat had het Vlaams belang natuurlijk ook al, toen het dezelfde maatregelen propageerde, en toen was dat voor mij ook geen reden om ervoor te stemmen.

Wat echter met wat er overblijft wanneer je de kern van waarheid wegneemt? Alleen maar meer willekeur! Op zich denk ik niet dat je een rechter moet zijn, of bijvoorbeeld een specialist in daderbegeleiding om te kunnen meepraten over moraliteit. Als mens hebben we allemaal toegang tot de moraliteit (wat ik vermeld omdat het zo triviaal is dat je het zou kunnen vergeten). Maar dat is niet wat de dame in het filmje beoogt. Wat zij beoogt is de idee dat we het allemaal toch eens zijn over de juiste aanpak, en dat we die dus maar moeten afdwingen. O, als het maar zo eenvoudig was! In de praktijk zou zij snel genoeg inzien dat haar onmiddellijk besef van de juiste straf en de juiste aanpak maar een van de vele opvattingen was die daarover bestonden. Wat zij wil is willekeur, alleen doet het zich aan haar voor als consequente aanpak. Ookal is het huidige systeem niet optimaal, er is een reden dat iemand veel moet studeren om rechter te worden. Er zijn zoveel dingen die overwogen moeten worden, en daarenboven moet de wet nog eens van die aard zijn dat hij voor iedereen gelijk kan zijn, wat nog een hele dimensie van implicaties met zich meebrengt.

Ondertussen levert de strategie van de zaken eenvoudiger voor te stellen dan ze zijn wel zoveel stemmen op aan de partij die met het lik-op-stukbeleid dweept.

——-

5. De N-VA is een partij geworden die de zaken eenvoudiger, nee: simplistischer, voorstelt dan ze zijn. Of misschien deed ze dat al, maar nu doet ze het onbeschaamd en trots. Mijn hoop is dat er hierdoor tenminste een scheve situatie zal rechtgezet worden. En wel deze: ik heb het de afgelopen jaren zo merkwaardig gevonden dat bepaalde mensen uit mijn familie- en kennissenkring N-VA-sympathisanten zijn geworden, net die mensen die op mijn ontwikkeling een grote invloed hebben gehad, net die mensen namelijk, die mij op jonge leeftijd geleerd hebben dat het goed is om dingen niet zomaar aan te nemen, maar in tegendeel kritisch te denken. Ik kan dat verklaren met de hypothese dat het mensen zijn die zelf denken, en die daarom aangesproken werden door de stijl van Bart De Wever. Bart De Wever is immers een atapysche politicus omdat hij kan denken. Dat hoort bij zijn rechtlijnige stijl en het is onmiddellijk merkbaar. Welnu, ik hoop dat de mensen die graag zelf denken en juist daardoor sympathie hebben opgevat voor de N-VA in even groten getalen van die sympathie zullen afstappen als er Vlaamsbelangers zullen toestromen, nu blijkt dat de N-VA onder de nieuwe koers helemaal niet meer kritisch denkt, maar in tegendeel inzet op onkritisch simplisme.

Nog ongeordende gedachten over epistemologie (6-14)

6. Wat is idealisme?

Idealisme noem ik het kunnen overdenken, vergelijken en tegen elkaar afwegen van dingen, zonder ze steeds onmiddellijk in een voorafgegeven categorie te laten vallen. Dit is niet zo makkelijk als het klinkt. Je vergelijkt bijvoorbeeld onverkieslijke situatie A met onverkieslijke situatie B. Je hebt redenen om A niet te willen en je hebt ook redenen om B niet te willen. Dat is reeds het punt waarop de realist zijn gedachtengang zou stopzetten. Maar jij vergelijkt ze om iets te leren dat alleen op het eerste gezicht losstaat van de realiteit. Misschien is de concrete incarnatie van situatie A niet gewenst, maar onder kenmerken van situatie A zijn er wel positieve, die intrinsiek bij A horen, en die afwezig zouden zijn in B. Omgekeerd zijn er ook elelenten die alleen bij B kunnen horen en die verloren zouden gaan door B opzij te schuiven – zelfs al is het vanuit een realistisch oogpunt zonneklaar dat B eigenlijk te zwaarwegende nadelen heeft. Toch betrek je deze elementen in je beschouwing. Hiermee betreed je het terrein van het idealisme. Je laat niet na de concrete dingen in al hun realisme te beschouwen, maar je laat ze niet automatisch ook in een categorie als “bruikbaar” of “onbruikbaar” vallen. Je neemt in plaats daarvan hun idealen mee op in de beschouwing, dat wil zeggen de kenmerken waarnaar ze tenderen.

Deze beschouwingswijze is natuurlijk op het eerste gezicht een beetje zweverig. “Wat is er nuttig aan?” zou je kunnen vragen. Wel, als je de dingen alleen beoordeelt voor zover ze als gegevenheden op je afkomen, is er niets nuttigs aan. Maar heel anders wordt de zaak wanneer je de blik richt op het worden van de dingen.

Het is om dat punt heen dat de strijd tussen idealisme en realisme zich afspeelt. De basispositie van het realisme is dat je elk ding moet nemen als iets dat af is, en het ook zo moet beoordelen. De basispositie van het idealisme is dat alle dingen een wordingsproces zijn ondergaan voor ze hun actuele vorm hebben gekregen, en dat ook de actuele vorm niet definitief is, maar in vele opzichten nog verbeteringen toelaat. Om echter een oog te hebben voor deze potentiële verbeteringen, deze idealen, moet je de dingen beschouwen als wordend, als in het ene opzicht volmaakt, maar in het andere nog aan verbetering toe. Op die manier kunnen twee voor het realisme volstrekt tegenstrijdige posities voor het idealisme toch beide volstrekt hun bestaansrecht hebben. Alleen het criterium van het idealisme ligt hoger; de dingen worden afgemeten aan hun potentiële kenmerken (aan hun telos zou je ook kunnen zeggen) in plaats van aan de kenmerken die ze toevallig vertonen in hun huidige incarnatievorm.

7. Gesprek met een marktkramer

In de trein zit je altijd naast iemand anders. Tijdens het pendelen heb ik een reeks interessante gesprekken gehad.

Het eerste gesprek was met een marktkramer. Hij had in zijn leven de overgang meegemaakt van een samenleving waarin alleen de man ging werken naar een samenleving waarin man en vrouw beiden gaan werken. Daar kwam hij op te spreken omwille van de gevolgen die deze verandering voor zijn eigen stiel had gehad.

“Vroeger wist je tenminste je je kon verwachten,” zei hij. “Alle verkopers kwamen naar de markt, anders verdienden ze hun boterham niet. En de klanten kwamen ook. Ze wisten wat ze nodig hadden en ze wisten aan welk kraam ze het konden vinden.”

Het is niet zo dat hij terug wou naar de tijd toen hij twintig was. Het was enkel een observatie over de situatie van toen.

“Daartegenover is de situatie nu vaak zo, dat een van de twee op de markt gaat staan als bijberoep. Maar dat heeft wel eens tot gevolg dat hij of zij thuisblijft op een regenachtige dag. En daardoor is het ook voor veel klanten oninteressant geworden om naar de markt te komen op een dag die er regenachtig uitziet. Kortom, de situatie is helemaal niet meer hetzelfde als toen ik begon.”

“Is de situatie dan beter of slechter geworden,” was de vraag die niet gesteld werd, maar waar de discussie zich wel omheencirkelde. Maar ja, het is dan ook een moeilijke vraag om te beantwoorden!

In heel wat aspecten is de situatie nu veel beter dan toen. Daarover waren we het snel eens. Het is in feite ook een evidentie. Beroepskeuze, loopbaan, ontplooiingsmogelijkheden zijn veel fexibeler, en in de mate dat ze flexibeler, wellicht ook menselijker geworden. Voor vrouwen is de situatie niet alleen flexibeler geworden, maar ook onderheveig aan andere normen en verwachtingspatronen, en deze zijn op zijn minst moderner dan de vroegere.

Tegelijk had de vroegere situatie ook een aantal positieve aspecten, die nu waren verdwenen. De dingen waren vroeger misschien niet beter georganiseerd, maar wel meer georganiseerd, en tot in de kleine puntjes. Hiermee bedoel ik niet alleen het voordehandliggende, namelijk dat er gedetailleerdere regels en verwachtingspatronen waren, maar vooral de winst die die regels en verwachtingspatronen opleverden. Bijvoorbeeld het feit dat de samenleving als geheel efficiënter functioneerde. Simpel voorbeeld: een regenachtige dag werd nuttig besteed, in de zin dat het nuttig is voor de samenleving dat de goederen hun weg van natuur over producent, over markt tot bij de gebruiker konden vinden, en daarmee niet hoefden te wachten op een zonnigere dag. Wat is de tegenhanger in de huidige situatie? Levert de extra flexibiliteit daar zo onmiddellijk iets op? Hoogstwaarschijnlijk wordt de regenachtige dag eerder gevuld met bezigheden die voordelig zijn voor de deeltijdse marktkramer zelf, en niet voor de maatschappij als geheel. Bovendien heeft het thuisblijven tot gevolg dat de markt als geheel gestaag aan efficiëntie blijft inboeten, omdat ook de klanten er niet meer op kunnen rekenen dat ze zullen vinden wat ze nodig hebben.

Over deze dingen spraken we, en al snel vonden we meer voorbeelden van zaken die vroeger efficiënter waren, maar waar we zeker niet terug naartoe wilden. Knechten en meiden bijvoorbeeld. Is er echt niets te zeggen ten voordele van de efficiënte werkverdeling in een systeem van huispersoneel, niet alleen voor de betrokkenen maar vooral voor de maatschappij als geheel? Natuurlijk wel, daarom hebben we ook nu nog zoveel administratief personeel in alle bedrijven. En toch kan je niet anders dan vaststellen dat er nu efficiëntie verlorengaat, doordat veel mensen minder nuttige dingen doen dan ze zouden doen als ze zouden geholpen worden door een overkoepelende structuur, zoals die er een mensenleven geleden nog was, waarin iedereen zijn plaats had en deed wat er van hem verwacht werd.

Misschien wordt het moelijker om deze tekst te lezen, net zoals het voor mij moeilijker wordt om hem te schrijven. Er is iets dat maar al te graag komaf zou maken met de zaak, door te concluderen: “dus jij en de marktkramer willen gewoon terug naar vroeger!” Dit iets is de realistische reflex. Vanuit een realistische invalshoek is het heel moeilijk te begrijpen dat men tegelijk situatie A als beter kan beschouwen, en toch in staat is niet terug te willen naar deze situatie. Dat situatie A in één opzicht beter is, maar in een ander opzicht slechter dan situatie B, is reeds een nuancering die zeer moeilijk vol te houden is voor het realisme.

Als de realist zijn grote gelijk wil bewijzen, valt dat hem trouwens helemaal niet zo zwaar. Hij moet er alleen op wijzen dat het nergens toe leidt zoveel nuances aan te brengen. Er is toch geen concreet resultaat!

Dat klopt. Het enige resultaat is dat je iets geleerd hebt. Je hebt je blik aangescherpt voor wat er in de huidige samenleving nog onvolkomen is en nog verbeterd kan worden. Heb je concrete voorstellen uitgewerkt? Nee, daar moet je nog aan beginnen. Maar je hebt maatstaven om je door te laten leiden bij het ontwikkelen van je voorstellen.

Anders gezegd, er is geen netto winst in de zin dat je een categoriek oordeel hebt kunnen vellen. In tegendeel, de zaken zijn alleen maar ingewikkelder geworden. Maar toch is er een winst doordat je een aantal aanknopingspunten hebt gevonden. Bijvoorbeeld; de weg naar een betere situatie moet liggen in een combinatie van vrijheid en bewust doorgevoerde organisatie. De reflectie over vroeger bewijst aan de ene kant dat het mogelijk is om een hoge graad aan voor de maatschappij voordelige organisatie te hebben; maar waar die vroeger onvrij werd beoefend, kan die nu alleen uit vrije keuze worden nagestreefd (als we de huidige situatie nog willen verbeteren).

Dit is een concreet voorbeeld van een idealistische gedachte. Je laat de situatie van vroeger noch die van nu in een goed/slecht- of modern/ouderwets-categorie vallen om er snel mee klaar te zijn, maar je schort je oordeel een beetje op, beschouwt ze naast elkaar, en probeert er iets uit te leren.

Dit is echter niet het enige belangrijke kenmerk van idealisme.

8. Nogmaals, wat is idealisme?

Idealisme is het in ogenschouw nemen van andere factoren bij het verklaren van feiten, bovenop de factoren waaraan we gewend zijn. Vaak zijn het factoren die we onzichtbaar, ontastbaar of gewoon te vaag vinden.

Er zijn twee dingen waar het op aankomt.

Ten eerste: hebben we een goeie reden om de factoren van het vagere type in de beschouwing te betrekken? Indien ja, dan zullen we er simpelweg mee moeten leren leven dat deze factoren tegelijk geen hapklare brok voor ons denken zijn en toch een rol spelen in de werkelijkheid.

Ten tweede: misschien worden we misleid door het feit dat we een goed uitgewerkte theorie over de tastbare factoren hebben, maar nauwelijks een uitgewerkte theorie over de minder tastbare. Als dit het geval is, is het een subjectief gegeven, een gegeven dat voor ons een rol speelt en op ons een invloed mag hebben, echter geen invloed zou mogen hebben op ons denken over de objectieve werkelijkheid.

9. Gesprek met een dopingzondaar

Hij zat op de zetel tegenover mij de krant te lezen. (Ik herkende hem niet, zijn zaak had nauwelijks media-aandacht gekregen.) We geraakten in gesprek naar aanleiding van de gepijnigde kreunen die hij af en toe zachtjes liet ontsnappen bij het lezen van het sportkatern.

Het artikel dat de kreunen ontlokte was een column waarin iemand het opnam voor Lance Armstrong. Hij mag dan doping genomen hebben, zo werd er geargumenteerd, zijn overwinningen blijven onsterfelijk. En bovendien is zijn dopinggebruik begrijpelijk. Zou niet iedereen in zijn positie doping gebruikt hebben? Kortom, in de ogen van de schrijver, maakte het dopinggebruik Armstrongs prestaties er niet minder op.

Mijn medereiziger legde mij uit dat het ook zijn verhaal was. Hij was iemand in de positie van Armstrong geweest en had doping gebruikt. In die dagen hadden ze hem allemaal verzekerd dat iedereen het deed en dat je dus automatisch met een competitief nadeel begon als je het niet deed. Ze hadden allemaal gezegd dat het de moeite was, want het was niet opspeurbaar.

Toch was er iets dat hem ergerde aan de column. Maar dat kreeg hij moeilijk onder woorden.

“Het is waar wat de journalist zegt. Armstrong is een geweldige coureur. en Armstrong kan zijn fout niet herroepen. We hebben alleen de Armstrong met doping om te beoordelen, en dan moeten we zeggen dat hij fantastisch kon rijden. De Armstrong zonder doping bestaat niet in de feitelijkheid en kunnen we dus ook niet beoordelen. – En toch stoort het mij om het zo te lezen. Het is zo makkelijk voor de journalist dat hij zich er zo vanaf maakt.”

Ik wist niet goed wat ik daarop moest antwoorden.

Later in het gesprek bleek dat mijn gesprekspartner volledig van mening veranderd was sinds de tijd dat bekend geworden was dat hij doping gebruikt had. Terugkijkende op de tijd toen hij nog een professionele sportman was, vond hij dat hij een verkeerde keuze had gemaakt.

“Zelfs al zou het volledig onopspeurbaar zijn, en al deden al mijn collega’s en concurrenten het, dan nog was het een foute beslissing. Zie je, je zou kunnen zeggen dat ik pech gehad heb – enfin, dat we allemaal pech gehad hebben. Toevallig hebben ze nu methoden gevonden om achteraf nog te bewijzen dat we gebruikt hebben. Dus we dachten dat we niet ontdekt gingen worden en zodoende namen we het, maar als we geweten hadden dat we wel ontdekt gingen worden, hadden we het natuurlijk niet gedaan. Neenee, dat is niet wat ik bedoel. Het heeft niets te maken met pech. Had ik absoluut zeker geweten dat ik nooit ontdekt ging worden, het zou nog een foute beslissing zijn geweest.”

Het was gewoon zijn mening, na alles wat hij meegemaakt had, dat doping een foute keuze was, zelfs al zou iedereen het doen en zou het onopspeurbaar zijn, zelfs al zou het een competitief nadeel betekenen om het niet te doen. Met andere woorden, misschien zou iedereen in de plaats van Amrmstrong hetzelfde gedaan hebben, zoals de schrijver van de column beweerde, maar hij zou het geen tweede keer doen.

Het was pas later dat ik besefte wat hier speelde. Het was een idealistische idee die op een realistische muur botste. De column in de krant was het realistische element. Die hield rekening met de duidelijke en tastbare factoren. Het was een pragmatische benadering. Moeten we nu beginnen Armstrong een middelmatige sporter te vinden? Nee, laten we nuchter blijven. Kan je het een coureur in de situatie zoals ze tien jaar geleden was kwalijk nemen dat hij doping gebruikte? Nee, iedereen gebruikte het toch! Ik geloof dat het vanuit een realistische invalshoek een heel begrijpelijk standpunt is.

Ik wil hier trouwens ook niet beweren dat het een fout standpunt is. Nee, wat aan het hele verhaal interessant is, is te observeren hoe het realistische zich verhoudt tot wat ik hier het idealistische noem. Het idealistische element is hier de spijt van de ex-sporter, het geheel van al zijn redenen om zijn dopinggebruik thans fout te vinden. Het laat zich niet opnemen in een realistisch discours. Dat is het merkwaardige. Om te beginnen is het geen tastbaar iets, want het gaat over hypothetische scenario’s (“als ik nu opnieuw moest beslissen zou ik mij kunnen baseren op wat ik van mijn fouten geleerd heb”) en hypothetische vergelijkingen (“Zou Armstrong zonder doping een even indrukwekkende atleet geweest zijn?”) Die zijn meteen reeds te weinig tastbaar om voor het realisme een factor van enige betekenis te zijn. Maar daarnaast is ook het reële aspect bijna onzichtbaar voor het realisme. De spijt zelf van de ex-dopingzondaar zou als feit gerespecteerd moeten worden, maar het realisme heeft daar allerminst de neiging toe. Het respecteert de nuchtere feiten, en dat is precies de sterkte ervan, maar het respecteert een minder nuchter feit als de net genoemde spijt niet. Een goede reden heeft het daarvoor niet, waarschijnlijk is het alleen het gevolg van een reflex om telkens alleen naar de tastbare gegevenheden te kijken in de veronderstelling dat het de enige relevante zijn.

Op zijn allerminst is het nochtans een relevant feit dat iemand – en geen filosoof in zijn zetel, maar iemand die de situatie in alle concreetheid kent – ervan overtuigd is dat hij doping zou weigeren al zou iedereen het nemen. Akkoord het is een hypothetisch scenario, maar het spreekt de misschien al te naïve veronderstelling van de columnist tegen dat iedereen in een positie als die van Armstrong doping genomen zou hebben, hetgeen trouwens evengoed een hypothetisch scenario is.

Mijn punt is, dat idealisme in een bepaalde zin niet meer dan dit is: het simpele toelaten van iets minder tastbare gegevenheden in je gedachten. Het is niet zo dat deze gedoemd zijn tot irrelevantie en alleen maar vaagheid introduceren, zoals het realisme gelooft. Ja, je gedachten zullen subtieler moeten worden, en je zal een zekere denkdiscipline moeten volhouden om hypothesen door te denken die niet overeenstemmen met een werkelijkheid die al gegeven is en waaraan je je kan vasthouden met je gedachten. Maar je kan door deze moeite te doen wel iets leren waar je anders blind voor blijft.

10. Gesprek met een biologiestudent

Met de biologiestudent had ik een gesprek over wereldverbeterende initiatieven. Ik geloof dat het begonnen was als een gesprek over Oxfam, maar al gauw ging het ook over biologische landbouw en een low-impact levensstijl. Het was een tamelijk verhitte discussie want mijn gesprekspartner geloofde eigenlijk niet dat deze bewegingen zo effectief waren in het verbeteren van de wereld, terwijl hij er toch onmiskenbaar door gefascineerd werd. Het fascineerde hem dat er manieren zouden kunnen zijn om als individu een verschil te maken. Het fascineerde hem dat een idee (“Misschien willen sommige mensen meer betalen voor eerlijk geproduceerde koffie.”) zo eenvoudig zou kunnen zijn als het klonk.

Maar het fascineerde hem in de zin dat hij het thema niet kon loslaten, niet in de zin dat de ideeën voor hem nog iets nieuws of verfrissends hadden. In tegendeel, ze waren in zijn gedachten verworden tot een enkele categorie, zo vaak had hij ze reeds gehoord. Met veel vuur had hij in de loop der jaren vriend en vijand horen verdedigen dat we minder afval moesten produceren, minder energie moesten gebruiken, lokaal geproduceerde, fair trade of biologische producten moesten kopen … Een tijd geleden reeds had hij besloten dat al deze ideeën op dezelfde misplaatste hoop-dromen gefundeerd en tot dezelfde ontgoochelingen gedoemd waren. Het was immers eenvoudig: je kan als individu al die dingen doen, maar het heeft te weinig effect om het tij, dat van een veel grotere en wereldomspannendere omvang is, te keren. Misschien was het wel omdat hij deze ideeën zo vaak met vuur had horen verdedigen. Misschien was er in hem een scepsis ontwaakt, omdat hij ze voorgesteld had horen worden als simpele oplossingen, met een onmiddellijk en duidelijk effect. In elk geval was het zijn vaste overtuiging dat ze gewoon niet werkten. Er zou altijd een meerderheid van mensen zijn die er op de een of andere manier van zouden profiteren, alleen maar omdat ze in staat waren ervan te profiteren. Dat leek mij het argument dat zijn fascinatie voor wereldverbetering had doen omslaan in nihilisme. Het was ook herhaaldelijk het argument waarmee hij een monoloog afsloot, alsof ik het voor zijn part oneens mocht zijn met al het andere dat hij zei, maar toch niet met zijn beeld van het profijtzuchtige opportunisme van de meerderheid van de mensen.

Tegelijk leek hij zijn opvattingen ook als wetenschappelijke opvattingen te beschouwen. Hij voerde één betoog, waarin wetenschappelijke en commonsense-opvattingen zonder onderscheid dooreengeweven waren. (Dat is uiteraard mijn interpretatie, hij zou het zelf ongetwijfeld niet zo formuleren.) Zijn gedachtengang sprong voortdurend heen en weer tussen een wetenschappelijke sfeer en een commonsense-sfeer. Ruwweg correspondeerde dit met het heen-en-weerspringen van de discussie tussen een individuele context en een sociale context. – Misschien viel het mij alleen op omdat het onderwerp waarover we spraken toevallig net op de breuklijn tussen individu en gemeenschap lag, maar dit scheen werkelijk een breuklijn in zijn wereldbeschouwing bloot te leggen.

Op een wetenschappelijke manier behandelde hij alles wat je kon benaderen vanuit het individu, maar de manier waarop hij alles wat met het boven-individuele te maken had behandelde, ging terug op de commonsense-opvattingen die hij had, en die weliswaar aansloten bij zijn wetenschappelijke voorstellingen, maar die zelf niet wetenschappelijks waren. Zijn feitelijke kritiek op de initiatieven waar we over spraken was geworteld in een commonsense-wereldbeschouwing die groter was dan hijzelf. Die omspande ook de omgeving waarin hij was opgegroeid en waarin hij zijn eigen opvattingen had ontwikkeld. Maar bijvoorbeeld zijn alternatieven hiervoor, daarin had het wetenschappelijke denken duidelijk zijn signatuur achtergelaten. Deze alternatieven waren gericht op de idee dat je iets moest vinden dat altijd werkt, onafhankelijk van de sociale situatie, de wil of onwil van de mensen, met andere woorden iets dat per definitie onafhankelijk moest zijn van de tendenzen in de maatschappij. Een initiatief waarvoor vereist was dat mensen zich zouden vinden in een gezamenlijke idee, was iets waarmee wetenschappelijk gezien geen rekening mee gehouden kon worden. Iets dat kon steunen op kwantificeerbaar onderzoek was altijd principieel beter, of het nu een inhoudelijk zinvolle strategie was of een inhoudelijk hoogst speculatieve.

Het half-wetenschappelijke, half-commonsense-karakter van zijn betoog zorgde ervoor dat ik geen aanknopingspunt vond om welke kritiek dan ook op te baseren. Ik respecteerde de wetenschappelijke argumenten voor zover ze gebruikt werden om wetenschappelijke dingen te bewijzen. En ik respecteerde ook de commonsense-argumenten, ookal verwoordde hij ze als wetenschappelijke argumenten. Ik respecteerde ze omdat ze gegrond waren in een levenswijsheid, een lichaam van observaties, opgebouwd in het dagelijkse leven door hemzelf, zijn ouders en leraars, door generaties voor hem, die gewerkt hadden en handel gedreven hadden en zich een grondige kennis van de mentaliteit van de mensen eigen gemaakt hadden. Ik had eigenlijk graag binnen dit ervaringsfundament de aanknopingspunten willen vinden om mijn kritiek te formuleren – omdat ik vond dat de discussie niet over wetenschappelijke dingen ging, en bijgevolg niet op basis van een wetenschappelijk fundament gevoerd kon worden.

Maar hier werd het moeilijk. Wij deelden niet hetzelfde ervaringsfundament. Wij waren geen broers die van onze ouders dezelfde praktische kennis over sociale mechanismen hadden meegekregen. Ik respecteerde zijn ervaringsbasis en wou argumenteren op hetzelfde niveau, met in de ervaring gebaseerde argumenten – maar het ging altijd andere ervaring dan de zijne zijn. Mijn ervaring had andere wortels. En zo was het kader van onze discussie gegeven door een vreemd samenspel van wetenschappelijke methode, die we deelden, en levenservaring, die we niet deelden.

Een dergelijke discussie kan alleen vruchtbaar zijn als iedereen zich goed bewust is op welk punt hij zich op wetenschap beroept en op welk punt op de common sense. Immers, wetenschappelijke argumenten en argumenten uit de common sense fungeren op geheel verschillende manier in een discussie. Wetenschappelijke zijn vastomlijnd en kunnen altijd ter discussie gesteld worden. Commonsense-argumenten hebben geheel andere kenmerken.

Maar ik wou de laatste expliciteren en ter discussie stellen. Hier had hij een grote weerstand tegen. Hij voelde aan dat het een toepassen van de wetenschappelijke methode was, maar dan niet op een gebied waarop hij gewend was dat die werd toegepast. En nog meer weerstand had hij ertegen wanneer ik een argument wou opbouwen dat op mijn eigen ervaringen steunde. (Maar ik kon niet anders dan het proberen, want ik meende dat je, om een theorie te ontwikkelen over sociale thema’s, wel daarop moest bouwen.)

En zo was het praktiche resultaat van onze discussie dat ik bleef geloven in het wereldverbeterende potentieel van biologische landbouw en andere initiatieven, maar dan zonder dat ik mijn argumenten op een voor hem intelligibele manier kon verwoorden, terwijl hij bleef geloven in dat het enig mogelijke heil voor de honger-, armoede- en natuurproblemen in de wereld in de huidige wetenschappelijke praktijk gelegen was, zonder dat ik zijn argumenten kon beschouwen als uiteindelijk wetenschappelijk zuivere argumenten.

Het hele voorbeeld is in meerdere aspecten vaagweg illustratief, maar op een aspect wil ik de aandacht vestigen. Je kan in het voorbeeld de verwarring zien ontstaan. Je kan zien hoe de wetenschap mogelijk een hinder wordt. Namelijk door te automatisch het vocabularium te bepalen waarmee men denkt. Denk je na over hoe iets in de natuur werkt, dan komt de wetenschap je te hulp met haar methode, vocabularium, reeds bestaande modellen. Dat is goed zo. Denk je na over een sociaal onderwerp, of gelijk welk onderwerp waarbij minder onmiddellijk tastbare fenomenen een rol spelen, dan wil de wetenschap je ook te hulp komen. Maar in dit geval kan zij ook een barrière vormen, namelijk als zij je verhindert om een beter passende methode, een beter passend vocabularium en beter passende modellen te overwegen, dan de reeds bestaande, die hun grote succes alleen maar in de natuurwetenschappen hebben bewezen. We hebben het als ontwerpers van wereldbeschouwingen al zo moeilijk andere dan materiële elementen te incorporeren; het voorhanden zijn van de wetenschap, met haar belofte van op alles een pasklaar antwoord te kunnen leveren door gewoon bepaalde principes toe te passen, maakt deze situatie alleen maar moeilijker.

11. Zeer kleine kanttekening bij een artikel van Steven Pinker

Steven Pinker in een recent artikel:

Science has also provided the world with images of sublime beauty: stroboscopically frozen motion, exotic organisms, distant galaxies and outer planets, fluorescing neural circuitry, and a luminous planet Earth rising above the moon’s horizon into the blackness of space. Like great works of art, these are not just pretty pictures but prods to contemplation, which deepen our understanding of what it means to be human and of our place in nature.

And contrary to the widespread canard that technology has created a dystopia of deprivation and violence, every global measure of human flourishing is on the rise. The numbers show that after millennia of near-universal poverty, a steadily growing proportion of humanity is surviving the first year of life, going to school, voting in democracies, living in peace, communicating on cell phones, enjoying small luxuries, and surviving to old age. The Green Revolution in agronomy alone saved a billion people from starvation. And if you want examples of true moral greatness, go to Wikipedia and look up the entries for “smallpox” and “rinderpest” (cattle plague). The definitions are in the past tense, indicating that human ingenuity has eradicated two of the cruelest causes of suffering in the history of our kind.

Het is niet bij het artikel als geheel, maar wel bij deze passage (die weliswaar representatief is voor de strekking van het artikel, maar slechts tot op zekere hoogte) dat ik een zeer kleine kanttekening wil plaatsen.

Ik vind het ook positief dat mensen in het algemeen ouder worden, dat er geen mensen meer sterven aan de pokken en dat er gsm’s zijn. Maar ik zou niet zeggen dat de uitspraak “deze dingen zijn goed” een wetenschappelijke uitspraak is. Nochtans, als je je bewust bent van het feit dat de positieve inschatting van deze dingen niet wetenschappelijk gemotiveerd is, moet je het hele artikel anders lezen.

Het is om te beginnen niet rechtstreeks dankzij de wetenschap, dat wij al deze positieve verwezenlijkingen hebben. In tegendeel, eerst streven wij de dingen na los van enige wetenschap, daarna gebruiken wij de wetenschap om ons te helpen deze dingen te bereiken. Dus ik herhaal: het is niet dat we zonder de wetenschap niet op het idee zouden komen om de pokken uit te roeien, en het is evenmin zo dat we door de wetenschap ontdekken wat de doelen zijn die we moeten nastreven.

Dit wordt ook geïllustreerd door het feit dat er over de meeste wetenschappelijke evoluties tegenstrijdige meningen zijn. Toen treinen voor het eerst ingevoerd werden, geloofden toonaangevende wetenschappers dat ze een negatieve invloed zouden hebben op het menselijke zenuwstelsel. Betekent dit dat de wetenschap fout is? Nee. Maar het betekent wel dat de wetenschap op zich niets zegt over wat goed is en wat niet. Pinker zou niet mogen beweren dat al de dingen die hij opsomt verdiensten zijn van de wetenschap, want volgens de wetenschap zelf zijn het nu eenmaal gewoon neutrale feiten.

Verder is het nogal gemakkelijk om achteraf terug te kijken en te zeggen: “kijk eens hoe goed we dat allemaal gedaan hebben!” Het omgekeerde scenario zou heel anders zijn. Stel dat het het jaar 1900 is, je kijkt vooruit naar de komende eeuw en je zegt: “We gaan de pokken uitroeien en gsm’s uitvinden.” Zal er niet op zijn minst een discussie volgen over de mate waarin dit prioriteieten zijn? Is het niet beter om de wetenschappelijke energie van de twintigste eeuw in andere dingen te investeren, bijvoorbeeld wereldvrede of algemene gezondheid – als je dan toch om het even welk voorstel mag doen?

Het antwoord van Pinker schijnt te zijn: toch wel, toch wel, een “steeds groeiend deel van de mensheid” leeft in een democratie en is niet meer arm. Twee vragen: 1) betekent dit wel of niet dat we voldoende ons best gedaan hebben om de prioriteiten aan te pakken? 2) Is het de verdienste van de wetenschap dat we voor deze dingen gekozen hebben en niet voor andere?

12. Nogmaals, wat is idealisme?

Idealisme is denken op menselijke maat. Het is het denken dat gelijke tred houdt met het beleven van de wereld. Ik observeer, ik verwerk mijn observaties, ik reageer op de wereld, ik treed ermee in relatie, ik stem me op haar af, ik trek lessen uit mijn ervaringen, ik ga sociale interacties aan, ik luister naar ervaringen van andere mensen, … Al deze tijd ben ik een individu met een vermogen tot het vormen van gedachten, een individu met unieke ervaringen en daardoor ook een uniek perspectief op de wereld. Als de wereld mij dingen toont die ik nog niet eerder gezien heb, leidt dat er in de regel toe dat ik deze nieuwe dingen in mijn wereldbeeld probeer in te passen. Dat wil zeggen, ik vorm nieuwe gedachten, of ik pas mijn oude gedachten aan, naarmate ik de wereld beter leer kennen. Het idealisme neemt deze gang van zaken als model. De mens zou zich tot een idealistische wereldbeschouwing zo moeten kunnen verhouden als hij zich verhoudt tot zijn eigen wereldbeeld.

Natuurlijk is er iets dubbelzinnigs aan dit derde kenmerk van het idealisme, dat ik hier probeer te beschrijven; want als ik het alleen maar zo formuleer, is er een voordehandliggende tegenwerping. Het denken houdt van nature niet altijd gelijke tred met de ervaringen. Kijk naar de kindertijd; er is een enorme berg aan ervaringen, maar er zijn nog geen zelf voortgebrachte gedachten hierover. Het is een normale en goede zaak dat het kind in het begin van zijn leven de begrippen en ideeën van zijn ouders overneemt, begrippen en ideeën die het niet zelf uitgedacht heeft, en waartegen het misschien niet eens innerlijk ja heeft gezegd. Een goede term om de betreffende toestand mee aan te duiden is “onmondigheid”.

Ik moet dus verduidelijken dat het derde kenmerk van idealisme niet zo zonder meer het “denken als een mens” is, maar het denken als een mondige mens, als een volwassen mens. Als kind verhoudt men zich niet op een mondige manier tot de denkbeelden die men heeft, maar als volwassen mens wel; men heeft ze zelf gecreëerd maar toch volgen ze grotendeels hun eigen interne wetten en niet de subjectieve willekeur.

Kant diagnoseerde het geestelijke klimaat van zijn tijd als onmondig, omdat de mensen volgens hem niet het volledige potentieel van hun rationaliteit benutten. Ze kwamen niet zelf tot conclusies, maar namen ze in tegendeel over van anderen die er in hun plaats toe gekomen waren. Dit was volgens Kant de schuld van tendenzen die de kritisch-wetenschappelijke denkwijze vijandig waren, tendenzen geworteld in de traditie.

Maar heden ten dage is op vele vlakken de wetenschap zelf de kenmerken van een traditie beginnen vertonen, en staat zij zelf soms mondigheid en zelf concluderen in de weg. Zij staat het beslist niet opzettelijk in de weg, maar zij vertroebelt door de vorm die zij thans heeft wel de overgang tussen onmondig denken en mondig denken, zoals die op een natuurlijke manier zou moeten geschieden in de loop van een mensenleven.

Dit is het volstrekt onopzettelijke gevaar: dat de wetenschap zodanig veel en zodanig lang een functie vervult als die van de ouders, de samenleving of de traditie, dat het moment waarop de mens als individu tot mondigheid komt steeds meer opgeschoven wordt en uiteindelijk verdwijnt.

13. Een epistemologie van het hier en nu

Hoe vatten we het denken in het oog in filosofie en wetenschap?

In de filosofie bestaan er theorieën over het denken, maar enkel over speciale gevallen van het denken, bijvoorbeeld over het kritische denken of over het wetenschappelijke denken. Er zijn echter geen grote theorieën over het denken zoals dat in het gewone leven plaatsvindt. Een beschrijving, karakterisering of taxonomie ontbreekt.

De filosofie draagt het kritische denken hoog in het vaandel wanneer het over wetenschap en methode gaat. Maar gaat het over het dagelijkse leven dan wordt het in de regel over het hoofd gezien, al heeft het ook hierin zijn plaats. Nochtans zijn de kwaliteiten die in het kritische denken op een geïsoleerde en opvallende manier observeerbaar zijn dezelfde die ook in het gewone mondige denken verschijnen, zoals in het vorige punt geschetst.

Nogmaals, het is van nature zo dat een kind nog niet mondig kan denken. Zijn ontwikkeling moet eerst tot het punt gekomen zijn waarop het in de berg van ervaringsmateriaal aanknopingspunten heeft gevonden om zelf, op eigen kracht, conclusies te trekken, overzicht te scheppen en regelmatigheden te identificeren. Maar een mondige volwassene heeft reeds zelf keuzes gemaakt over wat hij gelooft en wat niet, en die keuzes berusten, al dan niet via enkele tussenstappen, op zijn eigen oordeelsvermogen. Dat is wat kritisch denken betekent: in het dagelijks leven, in de tijd van Kant, in het huidige kritisch-wetenschappelijke denken.

In de wetenschap bestaan er theorieën over het denken, maar enkel speciale soorten theorieën. Of het nu over meer of minder dagdagelijks denken gaat, de wetenschap bestudeert het denken enkel voor zover zij het kan beschouwen als analoog aan iets anders. Het zijn extrapolaties van theorieën over neurobiologie, over het geheugen of zelfs over dierlijk gedrag, maar geen theorieën over het denken zelf.

We hebben als ontwerpers van levensbeschouwingen de neiging om blind te zijn voor het denken; alleen in uitzonderlijke gevallen valt het ons voldoende op om een aspect ervan filosofisch te articuleren. Wetenschappelijk geschiedt er al helemaal geen articulatie, alleen pogingen om de theorie zo snel en efficiënt mogelijk te doen uitkomen met een vage notie van wat het denken eigenlijk is.

Toch is het makkelijk in te zien waarom het denken aan onze aandacht ontsnapt. Het denken is namelijk dat deel van ons menselijke wezen, dat zich bijna geheel onttrekt aan het materiële, en zoals geschetst in punten 8-10 zijn er bepaalde mechanismen die het voor immateriële verschijnselen moeilijker maken filosofisch overwogen te worden dan materiële. Wij benaderen de dingen die we willen onderzoeken het allerliefst via de materie – tenzij ze zelfs in hun immaterialiteit zodanig opvallend zijn dat we hun bestaan wel moeten onderkennen. Daarom wordt het denken als onderzoeksobject bij voorkeur benaderd op alle mogelijke manieren, maar niet door het op te zoeken waar het van nature thuis is, namelijk in het gewone denken van dag tot dag.

Het idealisme wil de gehele mens onderzoeken, niet enkel die aspecten die toevallig materieel zijn. Het neemt dus ook het denken op in zijn beschouwingen, en niet alleen een paar opvallende verschijningsvormen ervan, maar het denken hier en nu. alleszins is het daartoe noodzakelijk om de niet onmiddellijk tot het materiële vlak behorende aspecten ook in zijn gedachten te kunnen volgen, zoals geschetst in punt 6.

Zo er al een strijdpunt tussen idealisme en realisme is, dan is het het bestaan van een soort denken dat van een andere aard is dan het geheugen, of dan dierlijk gedrag, of dan datgene waartoe een als computer gedacht neuraal netwerk in staat is. Waarover spreekt men in werkelijkheid wanneer men zegt “ik heb een idee”? Is het iets oorspronkelijks, zoals men lijkt te bedoelen, of is het toch slechts iets dat volledig passief voortgebracht wordt, als een functie van andere elementen? Wij stellen ons voor dat iets wat wij aanduiden met termen als “wil” of “bewustzijn” er een invloed op heeft. Schuilt daar een kern van waarheid in, of is het een hopeloos naïeve voorstelling? In elk geval is het denken iets dat genomen moet worden naar het volle gehalte van zijn fenomenologische draagwijdte.

In wat volgt zal ik (nog meer) voorbeelden proberen te geven van het menselijke denken zoals het concreet verschijnt, concrete gevallen waarvan ik hoop dat ze laten zien dat het denken beslist onderzoekbaar is, al zijn er dan toevallig nog geen kant en klare wetenschappelijke categorieën die overgenomen kunnen worden uit andere wetenschappelijke disciplines.

14. Gesprekken over lopen

We zijn allemaal filosofen, namelijk in de mate dat we onze eigen ideeën ontwikkelen. Alleen valt dat meestal niet zo op. Toch zijn er een paar onderwerpen waarbij onze filosofische aard steevast naar boven komt. Zo is bijvoorbeeld het lopen een onderwerp waarrond veel mensen zich originele gedachten hebben gevormd.

Het begint al met het simpele feit dat je over lopen vaak een soort discussie voert, die je zelden voert over andere onderwerpen. Andere onderwerpen hebben vaak het probleem dat er ofwel te weinig ofwel te veel consensus bestaat over de feitelijke basis ervan. In het eerste geval verworden de stellingnamen over het onderwerp tot loutere hypothesen, die om geopperd te mogen worden geen andere eigenschap hoeven te hebben dan niet-contradictorisch te zijn met het feitenmateriaal. In het tweede geval verandert de discussie vaak in een kwestie van wie er het best op de hoogte is van het feitenmateriaal. In geen van beide gevallen ontstaat er een dialogische wisselwerking tussen feitenmateriaal en argument. Daarentegen had ik al toen ik dagelijks met een vriend naar de lagere school stapte lange discussies over welke route de kortste was. In een dergelijke discussie is wel het juiste midden vertegenwoordigd waarrond de gebieden van feitenkennis, ervaring en logica liggen en waarin ze wederzijds hun rechten doen gelden; men geeft argumenten, maar alle hypothesen blijven betrokken op datgene waarover men spreekt.

Ook over simpele kwesties als bijvoorbeeld aan welke kant van de straat men moet lopen, heb ik vele discussies gevoerd. Stel dat je een lange straat door moet (met verschillende zebrapaden), maar je komt op de straat aan de linkerkant en op het einde moet je aan de rechterkant zijn, waar steek je dan het best over? Sommige mensen zijn ervan overtuigd dat je de meeste tijd spaart door op het eerste zebrapad waar je niet te lang moet wachten over te steken. Anderen verdedigen dan weer de positie dat je zover mogelijk tegen het einde van je route aan moet proberen over te steken; anders zou het imers kunnen voorvallen dat je eerst oversteekt, dan een vriend aan jouw oorspronkelijke kant ziet voor wie je terug moet oversteken, om ten slotte opnieuw te moeten oversteken als je aan het einde van de straat bent (terwijl je door te wachten je enige oversteekbeurt kan gebruiken op het moment dat je een vriend aan de andere kant van de straat ziet). Voor nog anderen is tijd sparen minder belangrijk dan bijvoorbeeld een route te volgen die weinig stress veroorzaakt, of nog andere dingen.

De ethische dimensie is ook vertegenwoordigd in het filosoferen over het lopen. Is het rechtvaardigbaar om door het rode licht te lopen? Wat als alle andere mensen het doen? Daar kan je evengoed op een kantiaanse als op een utilitaristische manier over nadenken. Ook de vraag welk voorbeeld je geeft als je door een rood licht wandelt is niet triviaal. Als voetganger is iedereen gelijk en is men filosofisch gezien nooit in het gevaar zijn eigen acties in te schatten als allesbepalend of juist als volledig in de massa verdwijnend. De groepen mensen die in een keer de straat oversteken zijn altijd op mensenmaat. Dus jouw keuze om het rode licht te negeren kan best een invloed hebben op de keuze van twee of drie andere mensen, maar niet op die van de hele wereld.

Tot slot een zeer uitgebreid voorbeeld van hoe men, door over het lopen in het verkeer na te denken, als vanzelf tot gedachten komt die idealistisch zijn in de eerder beschreven betekenissen.

Iemand vertelde me hoe hij op een dag merkte dat hij een extra stapje zette telkens het licht op groen sprong en hij begon te stappen. Hij stond als altijd te wachten voor het rode licht, toen het op groen sprong en hij als altijd wou oversteken. Maar voor de eerste keer constateerde hij dat het been dat hij te dien einde als eerste in beweging bracht niet het been was dat als eerste op het zebrapad landde. Nee, eerst was er een klein stapje ter plaatse, en dan kwam pas de eerste stap die naam geheel waardig!

Zijn eerste reactie was een realistische reactie. Nu hij deze onregelmatigheid bemerkt had, kwam hij bij alle volgende verkeerslichten na het op groen springen niet meer in beweging zoals voorheen. Hij begon, eigenlijk zonder dit bewust beslist te hebben, zijn gang vanaf nu met een enkele kordate stap naar voren. Hij onderdrukte het kleine stapje ter plaatse. Ik noem dit een realistische reactie omdat er de volgende redenering aan ten grondslag lag: hoe meer stappen, hoe meer moeite. Hoe meet je de aangewende energie, en bijgevolg je efficiëntie of inefficiëntie bij het stappen? Antwoord: door de stappen te tellen.

De realistische fase was een interessante periode. Alles was duidelijk en overzichtelijk. Vragen hadden concrete antwoorden. Wat moet ik doen? Geen overbodige extra stappen zetten. Toch bleef deze fase niet duren. Een hypothese dook plots op in zijn gedachtestroom: wat als dit extra stapje energie bespaart in plaats van haar te verspillen? Deze gedachte was niet door een bijzondere observatie ingegeven, ze had hem als het ware beslopen en was plots daar. Toch bleek ze niet zo gemakkelijk weg te redeneren.

Wat als dit de meest energie-efficiënte manier was om terug te beginnen stappen? Misschien was het stappen wel een gecompliceerdere bezigheid dan op het eerste gezicht het geval leek te zijn. Misschien speelde de vaart die hij al had ook een rol, en niet enkel de energie die hij moest aanwenden om zijn benen te bewegen. Wie kon zo voor de vuist weg zeggen welke factoren allemaal samenwerkten om een eenvoudig feit als lopen in de werkelijkheid te roepen? Maar zelfs als het een vertrouwd begrip als de vaart was, die hij in de beschouwing betrok, moest hij de situatie al anders beginnen te evalueren. Immers, misschien wist zijn lichaam, of iets in zijn lichaam, wel beter dan hij wat de efficiëntste manier was om zijn gang in de gewenste vaart te brengen, en misschien was die manier wel het zetten van een klein extra stapje. Dan betekende dat, dat de realistische conclusie voorbarig was geweest.

Vooralsnog was het een loutere hypothese en kwam het er alleen op aan te onderzoeken hoe sterk ze zich zou uitwijzen. Ze had aan de ene kant het grote nadeel dat ze de zaken veel complexer maakte. Vragen hadden niet meer de enkelduidige antwoorden die ze voorheen hadden; het leek wel alsof er een vaagheid in zijn gedachten geslopen was. Het was niet meer zo makkelijk om gewoon te oordelen en komaf te maken met de hele zaak. Maar aan de andere kant waren er goede redenen voor de theorie. Ze leek bij nader inzien beter te passen in zijn wereldbeeld, in het geheel van zijn gedachten over hoe de wereld werkte. Het leek logisch te veronderstellen dat het lopen meer was dan alleen de optelsom van de individuele stappen; een stap uit stilstand is iets anders dan een stap beschouwd binnen een loopritme. Dus was het ook logisch dat er voor de overgang van stilstand naar loopritme bijzondere regels zouden gelden.

Alleen was er geen duidelijke manier meer om de geïnvesteerde energie te meten, omdat de stap als meeteenheid, deze luxe voor het oordelen, opgegeven was. Daarmee was de enigszins merkwaardige situatie ontstaan, dat de theorie die er het beste voorstond de theorie was die het de filosoferende mens het moeilijkst maakte. De nieuwe theorie deed aanvankelijk relevant geachte elementen verdwijnen en liet van andere de scherpe contouren vervagen. Maar toch was ze in vergelijking met de comfortabelere theorie beter in het verklaren van de dingen.

Dit is een voorbeeld van hoe men op geheel natuurlijke wijze van een realistische theorie tot een idealistische theorie komt. Ik vat samen: het is een theorie die niet een of andere aanzet uit de realiteit krijgt; ze wordt door de realiteit bevestigd, maar het is niet de realiteit die een dwingende reden aanlevert om de theorie te overwegen. Die wordt aangeleverd door de creativitet van het menselijk denken. (Nuja, er is een element uit de realiteit dat de aanzet geeft om naar de idealistische theorie over te gaan: het bemerkt worden van het extra stapje. Maar dit kan ook op realistische manier “verklaard” worden, namelijk door bij de oorspronkelijke theorie te blijven en te concluderen dat het stapje simpelweg overbodig is.)

De theorie is niet op algemene principes gebaseerd, maar volgt simpelweg het menselijke tempo van wat er in het dagelijkse leven allemaal voor nieuwe dingen geobserveerd kan worden. De theorie ontstaat bijvoorbeeld niet door de generalisatie dat alles wat het lichaam uit zichzelf doet efficiënt is (en dus ook het kleine extra stapje). Een dergelijke generalisatie speelt geen rol, want de gedachtengang kan ook gebaseerd worden op concrete feiten en observaties. Het lichaam is ontwikkelt trouwens evenzeer allerlei gewoontes die slecht of inefficiënt zijn.

De theorie kiest voor een ongrijpbaar element als vooronderstelde bouwsteen van een complex fenomeen, in plaats van een grijpbaar element als een stap. Toch is deze keuze uitsluitend gebaseerd op concrete overwegingen. Verder wordt door deze keuze ook het volgen van de gedachten moeilijker. Men kan zich niet meer op elk punt van de gedachtengang ondersteund voelen door een corresponderend tastbaar feit, maar men moet in tegendeel zelf de gedachten-mortel al denkend voortbrengen, om te beletten dat het gedachtenbouwwerk ineenstort zodra het gedachte niet meer geobserveerd kan worden.