Meditaties over een campagnefilmpje en waarom de N-VA gelijk en ongelijk heeft

Ik kon gisteren niet slapen van dit campagnefilmpje. Waarom grijpt het mij zo aan? Ik moet erover nadenken, ik kan niet anders.

——-

1. Het is een complete verrassing. Ik had nooit gedacht dat de N-VA met een dergelijk iets naar buiten zou komen. Ze zouden er toch alleen kiezers mee kunnen verliezen, en daarom zouden ze het nooit doen, zo zou ik onmiddellijk geantwoord hebben als iemand het idee van een dergelijk campagnefilmpje zou geopperd hebben. De standpunten die door de dame in het filmpje verwoord worden, en die onderschreven worden door de partijvoorzitter, wiens stem op het einde te horen is, zijn zo hard en categoriek dat ze wat mij betreft spelen met de grenzen van de fatsoenlijkheid. Alleszins op het eerste gezicht.

Als ik er langer over nadenk, merk ik dat het voor een stuk ook de grenzen van mijn eigen categorieën zijn waarmee gespeeld wordt. Ik ben degene die dergelijke taal onmiddellijk associeert met extreem-rechtse denkbeelden. Maar ten eerste: zijn ze dat ook? En ten tweede: betekent dit dat de denkbeelden volledig fout zijn? Nee, alleszins moet ik langer over de zaak nadenken vooraleer ik die conclusie kan trekken.

Ondertussen is de associatie, die gerechtvaardigd of ongerechtvaardigd kan zijn, wel de reden waarom ik gechoqueerd was. Immers, ik zou denken dat ik niet de enige ben die in de woorden van de persoon in het filmpje maar al te gemakkelijk extreem-rechtse retoriek herkent, en dat is hetgene dat volledig buiten mijn verwachtingskader viel en waar ik nooit van geloofd zou hebben dat de N-VA zou denken dat het goed campagnemateriaal zou zijn. Dat het als goed materiaal beschouwd wordt, en niet eens door een verdwaalde enkeling, maar door Bart De Wever zelf, heeft nog meer met verstomming slaande implicaties. Namelijk dat dit is wat de N-VA denkt dat bij de burger in goede aarde zal vallen. Ik dacht dat de burger hier los doorheen zou kijken.

——-

2. Maar is het wel zo verwonderlijk dat de N-VA denkt dat ze met deze boodschap meer kiezers zal winnen? Plots besef ik dat het helemaal niet verwonderlijk is. We weten toch heel goed dat er heel wat mensen zijn wier stem kan gewonnen worden met dit soort standpunten. Er waren ooit het Vlaams Blok en het Vlaams belang, en die hebben toch over bijna heel België 20% van de stemmen gehaald. Dus hoe erg het ook is om dit uit te spreken, je kan verwachten dat de N-VA veel stemmen zal halen als dit de koers is die het zal inslaan. Ik noem het erg, omdat ik daarmee over de Vlaamse burgers een uitspraak doe, die ik eigenlijk moet beschouwen als beledigend. Daarom haast ik mij om eraan toe te voegen dat ik hoop dat de burgers mij ongelijk zullen geven als de gelegenheid daar is.

——-

3. Daarmee zou de N-VA eigenlijk van een interessant en bijzonder fenomeen tot een oninteressant en alledaags fenomeen worden. Het was een partij met een heel eigen karakter. Ik zou zelfs meer zeggen: het was de enige geloofwaardige partij. Spijtig dat het partijprogramma was wat het was. Spijtig dat het van die aard was dat ik mij er nooit mee zou hebben kunnen verzoenen, maar anders had ik er graag op gestemd omdat het de enige geloofwaardige partij was. Terwijl nu … Als dit de koers is die de N-VA wil inslaan, wordt het gewoon een partij zoals we die al heel dikwijls gezien hebben. De ervaringen in binnen- en buitenland leren duidelijk genoeg dat het niet zo heel moeilijk is om 20% of meer van de stemmen te halen door uit te pakken met zaken als een “lik-op-stukbeleid”.

——-

4. Verdient een “lik-op-stukbeleid” op zich het etiket extreemrechts? Is er iets mis met extreemrechts? Zijn extreemrechtse denkbeelden zodanig inferieur dat het een belediging zou zijn als je van iemand vermoedt dat hij ze erop nahoudt? Over die vragen ben ik in het voorgaande heengestapt. Wat ik weet is dat veel mensen mij in de loop van mijn leven hebben proberen te waarschuwen voor extreemrechts. Als ik zomaar zou napraten wat leraars en goedmenende medemensen mij hebben willen inprenten, dan zou ik de luxe hebben om eenvoudig te antwoorden: “Ja, er is iets mis mee.” Ik zou zelfs het lik-op-stukgeval zonder aarzelen etiketteren als zeer verdacht. Maar wie zelf wil nadenken heeft natuurlijk die luxe niet.

Interessanter lijkt het mij om na te gaan in welke opzichten de dame in het filmpje, en dus automatisch ook de partijvoorzitter, gelijk heeft. Ik kan me er absoluut in vinden dat er iets niet vlot genoeg loopt in de rechtspraak. Er zijn manieren genoeg om te doen wat niet mag en toch niet bestraft te worden. Je kan de regel botweg overtreden en erop rekenen dat het protest te moeilijk te organiseren zal zijn of juist gemakkelijk te boycotten. Je kan onduidelijkheden in de wet aangrijpen om iemand te benadelen omdat je weet dat jij meer tijd, geld of macht hebt. In beide gevallen, en nog vele andere, kunnen rechters in de positie geplaatst worden dat ze op basis van wat de dure advocaten van de verdediging naar voren brengen de beklaagde partij eigenlijk niet schuldig kunnen vinden, terwijl het voor hun heel duidelijk is dat hij wel degelijk bewust immoreel gehandeld heeft. Ik zou het goed vinden als er een ander juridisch systeem zou zijn, waarin de rechter onmiddellijk zijn moreel besef kan laten gelden. Er zou vanzelfsprekend een kader moeten zijn waarbinnen zo iets pas mogelijk kan worden, maar ik geloof dat de regels en de letter van de wet nu te veel overwicht hebben en dat er manier moeten kunnen gevonden worden waarop het onmiddelijke morele besef een grotere rol kan spelen. Tenslotte is de inhoud van de al de huidige regels ook alleen maar ingegeven door moreel besef van individuen.

De N-VA heeft wat mij betreft dus een kern van waarheid op het oog. Maar dat had het Vlaams belang natuurlijk ook al, toen het dezelfde maatregelen propageerde, en toen was dat voor mij ook geen reden om ervoor te stemmen.

Wat echter met wat er overblijft wanneer je de kern van waarheid wegneemt? Alleen maar meer willekeur! Op zich denk ik niet dat je een rechter moet zijn, of bijvoorbeeld een specialist in daderbegeleiding om te kunnen meepraten over moraliteit. Als mens hebben we allemaal toegang tot de moraliteit (wat ik vermeld omdat het zo triviaal is dat je het zou kunnen vergeten). Maar dat is niet wat de dame in het filmje beoogt. Wat zij beoogt is de idee dat we het allemaal toch eens zijn over de juiste aanpak, en dat we die dus maar moeten afdwingen. O, als het maar zo eenvoudig was! In de praktijk zou zij snel genoeg inzien dat haar onmiddellijk besef van de juiste straf en de juiste aanpak maar een van de vele opvattingen was die daarover bestonden. Wat zij wil is willekeur, alleen doet het zich aan haar voor als consequente aanpak. Ookal is het huidige systeem niet optimaal, er is een reden dat iemand veel moet studeren om rechter te worden. Er zijn zoveel dingen die overwogen moeten worden, en daarenboven moet de wet nog eens van die aard zijn dat hij voor iedereen gelijk kan zijn, wat nog een hele dimensie van implicaties met zich meebrengt.

Ondertussen levert de strategie van de zaken eenvoudiger voor te stellen dan ze zijn wel zoveel stemmen op aan de partij die met het lik-op-stukbeleid dweept.

——-

5. De N-VA is een partij geworden die de zaken eenvoudiger, nee: simplistischer, voorstelt dan ze zijn. Of misschien deed ze dat al, maar nu doet ze het onbeschaamd en trots. Mijn hoop is dat er hierdoor tenminste een scheve situatie zal rechtgezet worden. En wel deze: ik heb het de afgelopen jaren zo merkwaardig gevonden dat bepaalde mensen uit mijn familie- en kennissenkring N-VA-sympathisanten zijn geworden, net die mensen die op mijn ontwikkeling een grote invloed hebben gehad, net die mensen namelijk, die mij op jonge leeftijd geleerd hebben dat het goed is om dingen niet zomaar aan te nemen, maar in tegendeel kritisch te denken. Ik kan dat verklaren met de hypothese dat het mensen zijn die zelf denken, en die daarom aangesproken werden door de stijl van Bart De Wever. Bart De Wever is immers een atapysche politicus omdat hij kan denken. Dat hoort bij zijn rechtlijnige stijl en het is onmiddellijk merkbaar. Welnu, ik hoop dat de mensen die graag zelf denken en juist daardoor sympathie hebben opgevat voor de N-VA in even groten getalen van die sympathie zullen afstappen als er Vlaamsbelangers zullen toestromen, nu blijkt dat de N-VA onder de nieuwe koers helemaal niet meer kritisch denkt, maar in tegendeel inzet op onkritisch simplisme.

Nog ongeordende gedachten over epistemologie (6-14)

6. Wat is idealisme?

Idealisme noem ik het kunnen overdenken, vergelijken en tegen elkaar afwegen van dingen, zonder ze steeds onmiddellijk in een voorafgegeven categorie te laten vallen. Dit is niet zo makkelijk als het klinkt. Je vergelijkt bijvoorbeeld onverkieslijke situatie A met onverkieslijke situatie B. Je hebt redenen om A niet te willen en je hebt ook redenen om B niet te willen. Dat is reeds het punt waarop de realist zijn gedachtengang zou stopzetten. Maar jij vergelijkt ze om iets te leren dat alleen op het eerste gezicht losstaat van de realiteit. Misschien is de concrete incarnatie van situatie A niet gewenst, maar onder kenmerken van situatie A zijn er wel positieve, die intrinsiek bij A horen, en die afwezig zouden zijn in B. Omgekeerd zijn er ook elelenten die alleen bij B kunnen horen en die verloren zouden gaan door B opzij te schuiven – zelfs al is het vanuit een realistisch oogpunt zonneklaar dat B eigenlijk te zwaarwegende nadelen heeft. Toch betrek je deze elementen in je beschouwing. Hiermee betreed je het terrein van het idealisme. Je laat niet na de concrete dingen in al hun realisme te beschouwen, maar je laat ze niet automatisch ook in een categorie als “bruikbaar” of “onbruikbaar” vallen. Je neemt in plaats daarvan hun idealen mee op in de beschouwing, dat wil zeggen de kenmerken waarnaar ze tenderen.

Deze beschouwingswijze is natuurlijk op het eerste gezicht een beetje zweverig. “Wat is er nuttig aan?” zou je kunnen vragen. Wel, als je de dingen alleen beoordeelt voor zover ze als gegevenheden op je afkomen, is er niets nuttigs aan. Maar heel anders wordt de zaak wanneer je de blik richt op het worden van de dingen.

Het is om dat punt heen dat de strijd tussen idealisme en realisme zich afspeelt. De basispositie van het realisme is dat je elk ding moet nemen als iets dat af is, en het ook zo moet beoordelen. De basispositie van het idealisme is dat alle dingen een wordingsproces zijn ondergaan voor ze hun actuele vorm hebben gekregen, en dat ook de actuele vorm niet definitief is, maar in vele opzichten nog verbeteringen toelaat. Om echter een oog te hebben voor deze potentiële verbeteringen, deze idealen, moet je de dingen beschouwen als wordend, als in het ene opzicht volmaakt, maar in het andere nog aan verbetering toe. Op die manier kunnen twee voor het realisme volstrekt tegenstrijdige posities voor het idealisme toch beide volstrekt hun bestaansrecht hebben. Alleen het criterium van het idealisme ligt hoger; de dingen worden afgemeten aan hun potentiële kenmerken (aan hun telos zou je ook kunnen zeggen) in plaats van aan de kenmerken die ze toevallig vertonen in hun huidige incarnatievorm.

7. Gesprek met een marktkramer

In de trein zit je altijd naast iemand anders. Tijdens het pendelen heb ik een reeks interessante gesprekken gehad.

Het eerste gesprek was met een marktkramer. Hij had in zijn leven de overgang meegemaakt van een samenleving waarin alleen de man ging werken naar een samenleving waarin man en vrouw beiden gaan werken. Daar kwam hij op te spreken omwille van de gevolgen die deze verandering voor zijn eigen stiel had gehad.

“Vroeger wist je tenminste je je kon verwachten,” zei hij. “Alle verkopers kwamen naar de markt, anders verdienden ze hun boterham niet. En de klanten kwamen ook. Ze wisten wat ze nodig hadden en ze wisten aan welk kraam ze het konden vinden.”

Het is niet zo dat hij terug wou naar de tijd toen hij twintig was. Het was enkel een observatie over de situatie van toen.

“Daartegenover is de situatie nu vaak zo, dat een van de twee op de markt gaat staan als bijberoep. Maar dat heeft wel eens tot gevolg dat hij of zij thuisblijft op een regenachtige dag. En daardoor is het ook voor veel klanten oninteressant geworden om naar de markt te komen op een dag die er regenachtig uitziet. Kortom, de situatie is helemaal niet meer hetzelfde als toen ik begon.”

“Is de situatie dan beter of slechter geworden,” was de vraag die niet gesteld werd, maar waar de discussie zich wel omheencirkelde. Maar ja, het is dan ook een moeilijke vraag om te beantwoorden!

In heel wat aspecten is de situatie nu veel beter dan toen. Daarover waren we het snel eens. Het is in feite ook een evidentie. Beroepskeuze, loopbaan, ontplooiingsmogelijkheden zijn veel fexibeler, en in de mate dat ze flexibeler, wellicht ook menselijker geworden. Voor vrouwen is de situatie niet alleen flexibeler geworden, maar ook onderheveig aan andere normen en verwachtingspatronen, en deze zijn op zijn minst moderner dan de vroegere.

Tegelijk had de vroegere situatie ook een aantal positieve aspecten, die nu waren verdwenen. De dingen waren vroeger misschien niet beter georganiseerd, maar wel meer georganiseerd, en tot in de kleine puntjes. Hiermee bedoel ik niet alleen het voordehandliggende, namelijk dat er gedetailleerdere regels en verwachtingspatronen waren, maar vooral de winst die die regels en verwachtingspatronen opleverden. Bijvoorbeeld het feit dat de samenleving als geheel efficiënter functioneerde. Simpel voorbeeld: een regenachtige dag werd nuttig besteed, in de zin dat het nuttig is voor de samenleving dat de goederen hun weg van natuur over producent, over markt tot bij de gebruiker konden vinden, en daarmee niet hoefden te wachten op een zonnigere dag. Wat is de tegenhanger in de huidige situatie? Levert de extra flexibiliteit daar zo onmiddellijk iets op? Hoogstwaarschijnlijk wordt de regenachtige dag eerder gevuld met bezigheden die voordelig zijn voor de deeltijdse marktkramer zelf, en niet voor de maatschappij als geheel. Bovendien heeft het thuisblijven tot gevolg dat de markt als geheel gestaag aan efficiëntie blijft inboeten, omdat ook de klanten er niet meer op kunnen rekenen dat ze zullen vinden wat ze nodig hebben.

Over deze dingen spraken we, en al snel vonden we meer voorbeelden van zaken die vroeger efficiënter waren, maar waar we zeker niet terug naartoe wilden. Knechten en meiden bijvoorbeeld. Is er echt niets te zeggen ten voordele van de efficiënte werkverdeling in een systeem van huispersoneel, niet alleen voor de betrokkenen maar vooral voor de maatschappij als geheel? Natuurlijk wel, daarom hebben we ook nu nog zoveel administratief personeel in alle bedrijven. En toch kan je niet anders dan vaststellen dat er nu efficiëntie verlorengaat, doordat veel mensen minder nuttige dingen doen dan ze zouden doen als ze zouden geholpen worden door een overkoepelende structuur, zoals die er een mensenleven geleden nog was, waarin iedereen zijn plaats had en deed wat er van hem verwacht werd.

Misschien wordt het moelijker om deze tekst te lezen, net zoals het voor mij moeilijker wordt om hem te schrijven. Er is iets dat maar al te graag komaf zou maken met de zaak, door te concluderen: “dus jij en de marktkramer willen gewoon terug naar vroeger!” Dit iets is de realistische reflex. Vanuit een realistische invalshoek is het heel moeilijk te begrijpen dat men tegelijk situatie A als beter kan beschouwen, en toch in staat is niet terug te willen naar deze situatie. Dat situatie A in één opzicht beter is, maar in een ander opzicht slechter dan situatie B, is reeds een nuancering die zeer moeilijk vol te houden is voor het realisme.

Als de realist zijn grote gelijk wil bewijzen, valt dat hem trouwens helemaal niet zo zwaar. Hij moet er alleen op wijzen dat het nergens toe leidt zoveel nuances aan te brengen. Er is toch geen concreet resultaat!

Dat klopt. Het enige resultaat is dat je iets geleerd hebt. Je hebt je blik aangescherpt voor wat er in de huidige samenleving nog onvolkomen is en nog verbeterd kan worden. Heb je concrete voorstellen uitgewerkt? Nee, daar moet je nog aan beginnen. Maar je hebt maatstaven om je door te laten leiden bij het ontwikkelen van je voorstellen.

Anders gezegd, er is geen netto winst in de zin dat je een categoriek oordeel hebt kunnen vellen. In tegendeel, de zaken zijn alleen maar ingewikkelder geworden. Maar toch is er een winst doordat je een aantal aanknopingspunten hebt gevonden. Bijvoorbeeld; de weg naar een betere situatie moet liggen in een combinatie van vrijheid en bewust doorgevoerde organisatie. De reflectie over vroeger bewijst aan de ene kant dat het mogelijk is om een hoge graad aan voor de maatschappij voordelige organisatie te hebben; maar waar die vroeger onvrij werd beoefend, kan die nu alleen uit vrije keuze worden nagestreefd (als we de huidige situatie nog willen verbeteren).

Dit is een concreet voorbeeld van een idealistische gedachte. Je laat de situatie van vroeger noch die van nu in een goed/slecht- of modern/ouderwets-categorie vallen om er snel mee klaar te zijn, maar je schort je oordeel een beetje op, beschouwt ze naast elkaar, en probeert er iets uit te leren.

Dit is echter niet het enige belangrijke kenmerk van idealisme.

8. Nogmaals, wat is idealisme?

Idealisme is het in ogenschouw nemen van andere factoren bij het verklaren van feiten, bovenop de factoren waaraan we gewend zijn. Vaak zijn het factoren die we onzichtbaar, ontastbaar of gewoon te vaag vinden.

Er zijn twee dingen waar het op aankomt.

Ten eerste: hebben we een goeie reden om de factoren van het vagere type in de beschouwing te betrekken? Indien ja, dan zullen we er simpelweg mee moeten leren leven dat deze factoren tegelijk geen hapklare brok voor ons denken zijn en toch een rol spelen in de werkelijkheid.

Ten tweede: misschien worden we misleid door het feit dat we een goed uitgewerkte theorie over de tastbare factoren hebben, maar nauwelijks een uitgewerkte theorie over de minder tastbare. Als dit het geval is, is het een subjectief gegeven, een gegeven dat voor ons een rol speelt en op ons een invloed mag hebben, echter geen invloed zou mogen hebben op ons denken over de objectieve werkelijkheid.

9. Gesprek met een dopingzondaar

Hij zat op de zetel tegenover mij de krant te lezen. (Ik herkende hem niet, zijn zaak had nauwelijks media-aandacht gekregen.) We geraakten in gesprek naar aanleiding van de gepijnigde kreunen die hij af en toe zachtjes liet ontsnappen bij het lezen van het sportkatern.

Het artikel dat de kreunen ontlokte was een column waarin iemand het opnam voor Lance Armstrong. Hij mag dan doping genomen hebben, zo werd er geargumenteerd, zijn overwinningen blijven onsterfelijk. En bovendien is zijn dopinggebruik begrijpelijk. Zou niet iedereen in zijn positie doping gebruikt hebben? Kortom, in de ogen van de schrijver, maakte het dopinggebruik Armstrongs prestaties er niet minder op.

Mijn medereiziger legde mij uit dat het ook zijn verhaal was. Hij was iemand in de positie van Armstrong geweest en had doping gebruikt. In die dagen hadden ze hem allemaal verzekerd dat iedereen het deed en dat je dus automatisch met een competitief nadeel begon als je het niet deed. Ze hadden allemaal gezegd dat het de moeite was, want het was niet opspeurbaar.

Toch was er iets dat hem ergerde aan de column. Maar dat kreeg hij moeilijk onder woorden.

“Het is waar wat de journalist zegt. Armstrong is een geweldige coureur. en Armstrong kan zijn fout niet herroepen. We hebben alleen de Armstrong met doping om te beoordelen, en dan moeten we zeggen dat hij fantastisch kon rijden. De Armstrong zonder doping bestaat niet in de feitelijkheid en kunnen we dus ook niet beoordelen. – En toch stoort het mij om het zo te lezen. Het is zo makkelijk voor de journalist dat hij zich er zo vanaf maakt.”

Ik wist niet goed wat ik daarop moest antwoorden.

Later in het gesprek bleek dat mijn gesprekspartner volledig van mening veranderd was sinds de tijd dat bekend geworden was dat hij doping gebruikt had. Terugkijkende op de tijd toen hij nog een professionele sportman was, vond hij dat hij een verkeerde keuze had gemaakt.

“Zelfs al zou het volledig onopspeurbaar zijn, en al deden al mijn collega’s en concurrenten het, dan nog was het een foute beslissing. Zie je, je zou kunnen zeggen dat ik pech gehad heb – enfin, dat we allemaal pech gehad hebben. Toevallig hebben ze nu methoden gevonden om achteraf nog te bewijzen dat we gebruikt hebben. Dus we dachten dat we niet ontdekt gingen worden en zodoende namen we het, maar als we geweten hadden dat we wel ontdekt gingen worden, hadden we het natuurlijk niet gedaan. Neenee, dat is niet wat ik bedoel. Het heeft niets te maken met pech. Had ik absoluut zeker geweten dat ik nooit ontdekt ging worden, het zou nog een foute beslissing zijn geweest.”

Het was gewoon zijn mening, na alles wat hij meegemaakt had, dat doping een foute keuze was, zelfs al zou iedereen het doen en zou het onopspeurbaar zijn, zelfs al zou het een competitief nadeel betekenen om het niet te doen. Met andere woorden, misschien zou iedereen in de plaats van Amrmstrong hetzelfde gedaan hebben, zoals de schrijver van de column beweerde, maar hij zou het geen tweede keer doen.

Het was pas later dat ik besefte wat hier speelde. Het was een idealistische idee die op een realistische muur botste. De column in de krant was het realistische element. Die hield rekening met de duidelijke en tastbare factoren. Het was een pragmatische benadering. Moeten we nu beginnen Armstrong een middelmatige sporter te vinden? Nee, laten we nuchter blijven. Kan je het een coureur in de situatie zoals ze tien jaar geleden was kwalijk nemen dat hij doping gebruikte? Nee, iedereen gebruikte het toch! Ik geloof dat het vanuit een realistische invalshoek een heel begrijpelijk standpunt is.

Ik wil hier trouwens ook niet beweren dat het een fout standpunt is. Nee, wat aan het hele verhaal interessant is, is te observeren hoe het realistische zich verhoudt tot wat ik hier het idealistische noem. Het idealistische element is hier de spijt van de ex-sporter, het geheel van al zijn redenen om zijn dopinggebruik thans fout te vinden. Het laat zich niet opnemen in een realistisch discours. Dat is het merkwaardige. Om te beginnen is het geen tastbaar iets, want het gaat over hypothetische scenario’s (“als ik nu opnieuw moest beslissen zou ik mij kunnen baseren op wat ik van mijn fouten geleerd heb”) en hypothetische vergelijkingen (“Zou Armstrong zonder doping een even indrukwekkende atleet geweest zijn?”) Die zijn meteen reeds te weinig tastbaar om voor het realisme een factor van enige betekenis te zijn. Maar daarnaast is ook het reële aspect bijna onzichtbaar voor het realisme. De spijt zelf van de ex-dopingzondaar zou als feit gerespecteerd moeten worden, maar het realisme heeft daar allerminst de neiging toe. Het respecteert de nuchtere feiten, en dat is precies de sterkte ervan, maar het respecteert een minder nuchter feit als de net genoemde spijt niet. Een goede reden heeft het daarvoor niet, waarschijnlijk is het alleen het gevolg van een reflex om telkens alleen naar de tastbare gegevenheden te kijken in de veronderstelling dat het de enige relevante zijn.

Op zijn allerminst is het nochtans een relevant feit dat iemand – en geen filosoof in zijn zetel, maar iemand die de situatie in alle concreetheid kent – ervan overtuigd is dat hij doping zou weigeren al zou iedereen het nemen. Akkoord het is een hypothetisch scenario, maar het spreekt de misschien al te naïve veronderstelling van de columnist tegen dat iedereen in een positie als die van Armstrong doping genomen zou hebben, hetgeen trouwens evengoed een hypothetisch scenario is.

Mijn punt is, dat idealisme in een bepaalde zin niet meer dan dit is: het simpele toelaten van iets minder tastbare gegevenheden in je gedachten. Het is niet zo dat deze gedoemd zijn tot irrelevantie en alleen maar vaagheid introduceren, zoals het realisme gelooft. Ja, je gedachten zullen subtieler moeten worden, en je zal een zekere denkdiscipline moeten volhouden om hypothesen door te denken die niet overeenstemmen met een werkelijkheid die al gegeven is en waaraan je je kan vasthouden met je gedachten. Maar je kan door deze moeite te doen wel iets leren waar je anders blind voor blijft.

10. Gesprek met een biologiestudent

Met de biologiestudent had ik een gesprek over wereldverbeterende initiatieven. Ik geloof dat het begonnen was als een gesprek over Oxfam, maar al gauw ging het ook over biologische landbouw en een low-impact levensstijl. Het was een tamelijk verhitte discussie want mijn gesprekspartner geloofde eigenlijk niet dat deze bewegingen zo effectief waren in het verbeteren van de wereld, terwijl hij er toch onmiskenbaar door gefascineerd werd. Het fascineerde hem dat er manieren zouden kunnen zijn om als individu een verschil te maken. Het fascineerde hem dat een idee (“Misschien willen sommige mensen meer betalen voor eerlijk geproduceerde koffie.”) zo eenvoudig zou kunnen zijn als het klonk.

Maar het fascineerde hem in de zin dat hij het thema niet kon loslaten, niet in de zin dat de ideeën voor hem nog iets nieuws of verfrissends hadden. In tegendeel, ze waren in zijn gedachten verworden tot een enkele categorie, zo vaak had hij ze reeds gehoord. Met veel vuur had hij in de loop der jaren vriend en vijand horen verdedigen dat we minder afval moesten produceren, minder energie moesten gebruiken, lokaal geproduceerde, fair trade of biologische producten moesten kopen … Een tijd geleden reeds had hij besloten dat al deze ideeën op dezelfde misplaatste hoop-dromen gefundeerd en tot dezelfde ontgoochelingen gedoemd waren. Het was immers eenvoudig: je kan als individu al die dingen doen, maar het heeft te weinig effect om het tij, dat van een veel grotere en wereldomspannendere omvang is, te keren. Misschien was het wel omdat hij deze ideeën zo vaak met vuur had horen verdedigen. Misschien was er in hem een scepsis ontwaakt, omdat hij ze voorgesteld had horen worden als simpele oplossingen, met een onmiddellijk en duidelijk effect. In elk geval was het zijn vaste overtuiging dat ze gewoon niet werkten. Er zou altijd een meerderheid van mensen zijn die er op de een of andere manier van zouden profiteren, alleen maar omdat ze in staat waren ervan te profiteren. Dat leek mij het argument dat zijn fascinatie voor wereldverbetering had doen omslaan in nihilisme. Het was ook herhaaldelijk het argument waarmee hij een monoloog afsloot, alsof ik het voor zijn part oneens mocht zijn met al het andere dat hij zei, maar toch niet met zijn beeld van het profijtzuchtige opportunisme van de meerderheid van de mensen.

Tegelijk leek hij zijn opvattingen ook als wetenschappelijke opvattingen te beschouwen. Hij voerde één betoog, waarin wetenschappelijke en commonsense-opvattingen zonder onderscheid dooreengeweven waren. (Dat is uiteraard mijn interpretatie, hij zou het zelf ongetwijfeld niet zo formuleren.) Zijn gedachtengang sprong voortdurend heen en weer tussen een wetenschappelijke sfeer en een commonsense-sfeer. Ruwweg correspondeerde dit met het heen-en-weerspringen van de discussie tussen een individuele context en een sociale context. – Misschien viel het mij alleen op omdat het onderwerp waarover we spraken toevallig net op de breuklijn tussen individu en gemeenschap lag, maar dit scheen werkelijk een breuklijn in zijn wereldbeschouwing bloot te leggen.

Op een wetenschappelijke manier behandelde hij alles wat je kon benaderen vanuit het individu, maar de manier waarop hij alles wat met het boven-individuele te maken had behandelde, ging terug op de commonsense-opvattingen die hij had, en die weliswaar aansloten bij zijn wetenschappelijke voorstellingen, maar die zelf niet wetenschappelijks waren. Zijn feitelijke kritiek op de initiatieven waar we over spraken was geworteld in een commonsense-wereldbeschouwing die groter was dan hijzelf. Die omspande ook de omgeving waarin hij was opgegroeid en waarin hij zijn eigen opvattingen had ontwikkeld. Maar bijvoorbeeld zijn alternatieven hiervoor, daarin had het wetenschappelijke denken duidelijk zijn signatuur achtergelaten. Deze alternatieven waren gericht op de idee dat je iets moest vinden dat altijd werkt, onafhankelijk van de sociale situatie, de wil of onwil van de mensen, met andere woorden iets dat per definitie onafhankelijk moest zijn van de tendenzen in de maatschappij. Een initiatief waarvoor vereist was dat mensen zich zouden vinden in een gezamenlijke idee, was iets waarmee wetenschappelijk gezien geen rekening mee gehouden kon worden. Iets dat kon steunen op kwantificeerbaar onderzoek was altijd principieel beter, of het nu een inhoudelijk zinvolle strategie was of een inhoudelijk hoogst speculatieve.

Het half-wetenschappelijke, half-commonsense-karakter van zijn betoog zorgde ervoor dat ik geen aanknopingspunt vond om welke kritiek dan ook op te baseren. Ik respecteerde de wetenschappelijke argumenten voor zover ze gebruikt werden om wetenschappelijke dingen te bewijzen. En ik respecteerde ook de commonsense-argumenten, ookal verwoordde hij ze als wetenschappelijke argumenten. Ik respecteerde ze omdat ze gegrond waren in een levenswijsheid, een lichaam van observaties, opgebouwd in het dagelijkse leven door hemzelf, zijn ouders en leraars, door generaties voor hem, die gewerkt hadden en handel gedreven hadden en zich een grondige kennis van de mentaliteit van de mensen eigen gemaakt hadden. Ik had eigenlijk graag binnen dit ervaringsfundament de aanknopingspunten willen vinden om mijn kritiek te formuleren – omdat ik vond dat de discussie niet over wetenschappelijke dingen ging, en bijgevolg niet op basis van een wetenschappelijk fundament gevoerd kon worden.

Maar hier werd het moeilijk. Wij deelden niet hetzelfde ervaringsfundament. Wij waren geen broers die van onze ouders dezelfde praktische kennis over sociale mechanismen hadden meegekregen. Ik respecteerde zijn ervaringsbasis en wou argumenteren op hetzelfde niveau, met in de ervaring gebaseerde argumenten – maar het ging altijd andere ervaring dan de zijne zijn. Mijn ervaring had andere wortels. En zo was het kader van onze discussie gegeven door een vreemd samenspel van wetenschappelijke methode, die we deelden, en levenservaring, die we niet deelden.

Een dergelijke discussie kan alleen vruchtbaar zijn als iedereen zich goed bewust is op welk punt hij zich op wetenschap beroept en op welk punt op de common sense. Immers, wetenschappelijke argumenten en argumenten uit de common sense fungeren op geheel verschillende manier in een discussie. Wetenschappelijke zijn vastomlijnd en kunnen altijd ter discussie gesteld worden. Commonsense-argumenten hebben geheel andere kenmerken.

Maar ik wou de laatste expliciteren en ter discussie stellen. Hier had hij een grote weerstand tegen. Hij voelde aan dat het een toepassen van de wetenschappelijke methode was, maar dan niet op een gebied waarop hij gewend was dat die werd toegepast. En nog meer weerstand had hij ertegen wanneer ik een argument wou opbouwen dat op mijn eigen ervaringen steunde. (Maar ik kon niet anders dan het proberen, want ik meende dat je, om een theorie te ontwikkelen over sociale thema’s, wel daarop moest bouwen.)

En zo was het praktiche resultaat van onze discussie dat ik bleef geloven in het wereldverbeterende potentieel van biologische landbouw en andere initiatieven, maar dan zonder dat ik mijn argumenten op een voor hem intelligibele manier kon verwoorden, terwijl hij bleef geloven in dat het enig mogelijke heil voor de honger-, armoede- en natuurproblemen in de wereld in de huidige wetenschappelijke praktijk gelegen was, zonder dat ik zijn argumenten kon beschouwen als uiteindelijk wetenschappelijk zuivere argumenten.

Het hele voorbeeld is in meerdere aspecten vaagweg illustratief, maar op een aspect wil ik de aandacht vestigen. Je kan in het voorbeeld de verwarring zien ontstaan. Je kan zien hoe de wetenschap mogelijk een hinder wordt. Namelijk door te automatisch het vocabularium te bepalen waarmee men denkt. Denk je na over hoe iets in de natuur werkt, dan komt de wetenschap je te hulp met haar methode, vocabularium, reeds bestaande modellen. Dat is goed zo. Denk je na over een sociaal onderwerp, of gelijk welk onderwerp waarbij minder onmiddellijk tastbare fenomenen een rol spelen, dan wil de wetenschap je ook te hulp komen. Maar in dit geval kan zij ook een barrière vormen, namelijk als zij je verhindert om een beter passende methode, een beter passend vocabularium en beter passende modellen te overwegen, dan de reeds bestaande, die hun grote succes alleen maar in de natuurwetenschappen hebben bewezen. We hebben het als ontwerpers van wereldbeschouwingen al zo moeilijk andere dan materiële elementen te incorporeren; het voorhanden zijn van de wetenschap, met haar belofte van op alles een pasklaar antwoord te kunnen leveren door gewoon bepaalde principes toe te passen, maakt deze situatie alleen maar moeilijker.

11. Zeer kleine kanttekening bij een artikel van Steven Pinker

Steven Pinker in een recent artikel:

Science has also provided the world with images of sublime beauty: stroboscopically frozen motion, exotic organisms, distant galaxies and outer planets, fluorescing neural circuitry, and a luminous planet Earth rising above the moon’s horizon into the blackness of space. Like great works of art, these are not just pretty pictures but prods to contemplation, which deepen our understanding of what it means to be human and of our place in nature.

And contrary to the widespread canard that technology has created a dystopia of deprivation and violence, every global measure of human flourishing is on the rise. The numbers show that after millennia of near-universal poverty, a steadily growing proportion of humanity is surviving the first year of life, going to school, voting in democracies, living in peace, communicating on cell phones, enjoying small luxuries, and surviving to old age. The Green Revolution in agronomy alone saved a billion people from starvation. And if you want examples of true moral greatness, go to Wikipedia and look up the entries for “smallpox” and “rinderpest” (cattle plague). The definitions are in the past tense, indicating that human ingenuity has eradicated two of the cruelest causes of suffering in the history of our kind.

Het is niet bij het artikel als geheel, maar wel bij deze passage (die weliswaar representatief is voor de strekking van het artikel, maar slechts tot op zekere hoogte) dat ik een zeer kleine kanttekening wil plaatsen.

Ik vind het ook positief dat mensen in het algemeen ouder worden, dat er geen mensen meer sterven aan de pokken en dat er gsm’s zijn. Maar ik zou niet zeggen dat de uitspraak “deze dingen zijn goed” een wetenschappelijke uitspraak is. Nochtans, als je je bewust bent van het feit dat de positieve inschatting van deze dingen niet wetenschappelijk gemotiveerd is, moet je het hele artikel anders lezen.

Het is om te beginnen niet rechtstreeks dankzij de wetenschap, dat wij al deze positieve verwezenlijkingen hebben. In tegendeel, eerst streven wij de dingen na los van enige wetenschap, daarna gebruiken wij de wetenschap om ons te helpen deze dingen te bereiken. Dus ik herhaal: het is niet dat we zonder de wetenschap niet op het idee zouden komen om de pokken uit te roeien, en het is evenmin zo dat we door de wetenschap ontdekken wat de doelen zijn die we moeten nastreven.

Dit wordt ook geïllustreerd door het feit dat er over de meeste wetenschappelijke evoluties tegenstrijdige meningen zijn. Toen treinen voor het eerst ingevoerd werden, geloofden toonaangevende wetenschappers dat ze een negatieve invloed zouden hebben op het menselijke zenuwstelsel. Betekent dit dat de wetenschap fout is? Nee. Maar het betekent wel dat de wetenschap op zich niets zegt over wat goed is en wat niet. Pinker zou niet mogen beweren dat al de dingen die hij opsomt verdiensten zijn van de wetenschap, want volgens de wetenschap zelf zijn het nu eenmaal gewoon neutrale feiten.

Verder is het nogal gemakkelijk om achteraf terug te kijken en te zeggen: “kijk eens hoe goed we dat allemaal gedaan hebben!” Het omgekeerde scenario zou heel anders zijn. Stel dat het het jaar 1900 is, je kijkt vooruit naar de komende eeuw en je zegt: “We gaan de pokken uitroeien en gsm’s uitvinden.” Zal er niet op zijn minst een discussie volgen over de mate waarin dit prioriteieten zijn? Is het niet beter om de wetenschappelijke energie van de twintigste eeuw in andere dingen te investeren, bijvoorbeeld wereldvrede of algemene gezondheid – als je dan toch om het even welk voorstel mag doen?

Het antwoord van Pinker schijnt te zijn: toch wel, toch wel, een “steeds groeiend deel van de mensheid” leeft in een democratie en is niet meer arm. Twee vragen: 1) betekent dit wel of niet dat we voldoende ons best gedaan hebben om de prioriteiten aan te pakken? 2) Is het de verdienste van de wetenschap dat we voor deze dingen gekozen hebben en niet voor andere?

12. Nogmaals, wat is idealisme?

Idealisme is denken op menselijke maat. Het is het denken dat gelijke tred houdt met het beleven van de wereld. Ik observeer, ik verwerk mijn observaties, ik reageer op de wereld, ik treed ermee in relatie, ik stem me op haar af, ik trek lessen uit mijn ervaringen, ik ga sociale interacties aan, ik luister naar ervaringen van andere mensen, … Al deze tijd ben ik een individu met een vermogen tot het vormen van gedachten, een individu met unieke ervaringen en daardoor ook een uniek perspectief op de wereld. Als de wereld mij dingen toont die ik nog niet eerder gezien heb, leidt dat er in de regel toe dat ik deze nieuwe dingen in mijn wereldbeeld probeer in te passen. Dat wil zeggen, ik vorm nieuwe gedachten, of ik pas mijn oude gedachten aan, naarmate ik de wereld beter leer kennen. Het idealisme neemt deze gang van zaken als model. De mens zou zich tot een idealistische wereldbeschouwing zo moeten kunnen verhouden als hij zich verhoudt tot zijn eigen wereldbeeld.

Natuurlijk is er iets dubbelzinnigs aan dit derde kenmerk van het idealisme, dat ik hier probeer te beschrijven; want als ik het alleen maar zo formuleer, is er een voordehandliggende tegenwerping. Het denken houdt van nature niet altijd gelijke tred met de ervaringen. Kijk naar de kindertijd; er is een enorme berg aan ervaringen, maar er zijn nog geen zelf voortgebrachte gedachten hierover. Het is een normale en goede zaak dat het kind in het begin van zijn leven de begrippen en ideeën van zijn ouders overneemt, begrippen en ideeën die het niet zelf uitgedacht heeft, en waartegen het misschien niet eens innerlijk ja heeft gezegd. Een goede term om de betreffende toestand mee aan te duiden is “onmondigheid”.

Ik moet dus verduidelijken dat het derde kenmerk van idealisme niet zo zonder meer het “denken als een mens” is, maar het denken als een mondige mens, als een volwassen mens. Als kind verhoudt men zich niet op een mondige manier tot de denkbeelden die men heeft, maar als volwassen mens wel; men heeft ze zelf gecreëerd maar toch volgen ze grotendeels hun eigen interne wetten en niet de subjectieve willekeur.

Kant diagnoseerde het geestelijke klimaat van zijn tijd als onmondig, omdat de mensen volgens hem niet het volledige potentieel van hun rationaliteit benutten. Ze kwamen niet zelf tot conclusies, maar namen ze in tegendeel over van anderen die er in hun plaats toe gekomen waren. Dit was volgens Kant de schuld van tendenzen die de kritisch-wetenschappelijke denkwijze vijandig waren, tendenzen geworteld in de traditie.

Maar heden ten dage is op vele vlakken de wetenschap zelf de kenmerken van een traditie beginnen vertonen, en staat zij zelf soms mondigheid en zelf concluderen in de weg. Zij staat het beslist niet opzettelijk in de weg, maar zij vertroebelt door de vorm die zij thans heeft wel de overgang tussen onmondig denken en mondig denken, zoals die op een natuurlijke manier zou moeten geschieden in de loop van een mensenleven.

Dit is het volstrekt onopzettelijke gevaar: dat de wetenschap zodanig veel en zodanig lang een functie vervult als die van de ouders, de samenleving of de traditie, dat het moment waarop de mens als individu tot mondigheid komt steeds meer opgeschoven wordt en uiteindelijk verdwijnt.

13. Een epistemologie van het hier en nu

Hoe vatten we het denken in het oog in filosofie en wetenschap?

In de filosofie bestaan er theorieën over het denken, maar enkel over speciale gevallen van het denken, bijvoorbeeld over het kritische denken of over het wetenschappelijke denken. Er zijn echter geen grote theorieën over het denken zoals dat in het gewone leven plaatsvindt. Een beschrijving, karakterisering of taxonomie ontbreekt.

De filosofie draagt het kritische denken hoog in het vaandel wanneer het over wetenschap en methode gaat. Maar gaat het over het dagelijkse leven dan wordt het in de regel over het hoofd gezien, al heeft het ook hierin zijn plaats. Nochtans zijn de kwaliteiten die in het kritische denken op een geïsoleerde en opvallende manier observeerbaar zijn dezelfde die ook in het gewone mondige denken verschijnen, zoals in het vorige punt geschetst.

Nogmaals, het is van nature zo dat een kind nog niet mondig kan denken. Zijn ontwikkeling moet eerst tot het punt gekomen zijn waarop het in de berg van ervaringsmateriaal aanknopingspunten heeft gevonden om zelf, op eigen kracht, conclusies te trekken, overzicht te scheppen en regelmatigheden te identificeren. Maar een mondige volwassene heeft reeds zelf keuzes gemaakt over wat hij gelooft en wat niet, en die keuzes berusten, al dan niet via enkele tussenstappen, op zijn eigen oordeelsvermogen. Dat is wat kritisch denken betekent: in het dagelijks leven, in de tijd van Kant, in het huidige kritisch-wetenschappelijke denken.

In de wetenschap bestaan er theorieën over het denken, maar enkel speciale soorten theorieën. Of het nu over meer of minder dagdagelijks denken gaat, de wetenschap bestudeert het denken enkel voor zover zij het kan beschouwen als analoog aan iets anders. Het zijn extrapolaties van theorieën over neurobiologie, over het geheugen of zelfs over dierlijk gedrag, maar geen theorieën over het denken zelf.

We hebben als ontwerpers van levensbeschouwingen de neiging om blind te zijn voor het denken; alleen in uitzonderlijke gevallen valt het ons voldoende op om een aspect ervan filosofisch te articuleren. Wetenschappelijk geschiedt er al helemaal geen articulatie, alleen pogingen om de theorie zo snel en efficiënt mogelijk te doen uitkomen met een vage notie van wat het denken eigenlijk is.

Toch is het makkelijk in te zien waarom het denken aan onze aandacht ontsnapt. Het denken is namelijk dat deel van ons menselijke wezen, dat zich bijna geheel onttrekt aan het materiële, en zoals geschetst in punten 8-10 zijn er bepaalde mechanismen die het voor immateriële verschijnselen moeilijker maken filosofisch overwogen te worden dan materiële. Wij benaderen de dingen die we willen onderzoeken het allerliefst via de materie – tenzij ze zelfs in hun immaterialiteit zodanig opvallend zijn dat we hun bestaan wel moeten onderkennen. Daarom wordt het denken als onderzoeksobject bij voorkeur benaderd op alle mogelijke manieren, maar niet door het op te zoeken waar het van nature thuis is, namelijk in het gewone denken van dag tot dag.

Het idealisme wil de gehele mens onderzoeken, niet enkel die aspecten die toevallig materieel zijn. Het neemt dus ook het denken op in zijn beschouwingen, en niet alleen een paar opvallende verschijningsvormen ervan, maar het denken hier en nu. alleszins is het daartoe noodzakelijk om de niet onmiddellijk tot het materiële vlak behorende aspecten ook in zijn gedachten te kunnen volgen, zoals geschetst in punt 6.

Zo er al een strijdpunt tussen idealisme en realisme is, dan is het het bestaan van een soort denken dat van een andere aard is dan het geheugen, of dan dierlijk gedrag, of dan datgene waartoe een als computer gedacht neuraal netwerk in staat is. Waarover spreekt men in werkelijkheid wanneer men zegt “ik heb een idee”? Is het iets oorspronkelijks, zoals men lijkt te bedoelen, of is het toch slechts iets dat volledig passief voortgebracht wordt, als een functie van andere elementen? Wij stellen ons voor dat iets wat wij aanduiden met termen als “wil” of “bewustzijn” er een invloed op heeft. Schuilt daar een kern van waarheid in, of is het een hopeloos naïeve voorstelling? In elk geval is het denken iets dat genomen moet worden naar het volle gehalte van zijn fenomenologische draagwijdte.

In wat volgt zal ik (nog meer) voorbeelden proberen te geven van het menselijke denken zoals het concreet verschijnt, concrete gevallen waarvan ik hoop dat ze laten zien dat het denken beslist onderzoekbaar is, al zijn er dan toevallig nog geen kant en klare wetenschappelijke categorieën die overgenomen kunnen worden uit andere wetenschappelijke disciplines.

14. Gesprekken over lopen

We zijn allemaal filosofen, namelijk in de mate dat we onze eigen ideeën ontwikkelen. Alleen valt dat meestal niet zo op. Toch zijn er een paar onderwerpen waarbij onze filosofische aard steevast naar boven komt. Zo is bijvoorbeeld het lopen een onderwerp waarrond veel mensen zich originele gedachten hebben gevormd.

Het begint al met het simpele feit dat je over lopen vaak een soort discussie voert, die je zelden voert over andere onderwerpen. Andere onderwerpen hebben vaak het probleem dat er ofwel te weinig ofwel te veel consensus bestaat over de feitelijke basis ervan. In het eerste geval verworden de stellingnamen over het onderwerp tot loutere hypothesen, die om geopperd te mogen worden geen andere eigenschap hoeven te hebben dan niet-contradictorisch te zijn met het feitenmateriaal. In het tweede geval verandert de discussie vaak in een kwestie van wie er het best op de hoogte is van het feitenmateriaal. In geen van beide gevallen ontstaat er een dialogische wisselwerking tussen feitenmateriaal en argument. Daarentegen had ik al toen ik dagelijks met een vriend naar de lagere school stapte lange discussies over welke route de kortste was. In een dergelijke discussie is wel het juiste midden vertegenwoordigd waarrond de gebieden van feitenkennis, ervaring en logica liggen en waarin ze wederzijds hun rechten doen gelden; men geeft argumenten, maar alle hypothesen blijven betrokken op datgene waarover men spreekt.

Ook over simpele kwesties als bijvoorbeeld aan welke kant van de straat men moet lopen, heb ik vele discussies gevoerd. Stel dat je een lange straat door moet (met verschillende zebrapaden), maar je komt op de straat aan de linkerkant en op het einde moet je aan de rechterkant zijn, waar steek je dan het best over? Sommige mensen zijn ervan overtuigd dat je de meeste tijd spaart door op het eerste zebrapad waar je niet te lang moet wachten over te steken. Anderen verdedigen dan weer de positie dat je zover mogelijk tegen het einde van je route aan moet proberen over te steken; anders zou het imers kunnen voorvallen dat je eerst oversteekt, dan een vriend aan jouw oorspronkelijke kant ziet voor wie je terug moet oversteken, om ten slotte opnieuw te moeten oversteken als je aan het einde van de straat bent (terwijl je door te wachten je enige oversteekbeurt kan gebruiken op het moment dat je een vriend aan de andere kant van de straat ziet). Voor nog anderen is tijd sparen minder belangrijk dan bijvoorbeeld een route te volgen die weinig stress veroorzaakt, of nog andere dingen.

De ethische dimensie is ook vertegenwoordigd in het filosoferen over het lopen. Is het rechtvaardigbaar om door het rode licht te lopen? Wat als alle andere mensen het doen? Daar kan je evengoed op een kantiaanse als op een utilitaristische manier over nadenken. Ook de vraag welk voorbeeld je geeft als je door een rood licht wandelt is niet triviaal. Als voetganger is iedereen gelijk en is men filosofisch gezien nooit in het gevaar zijn eigen acties in te schatten als allesbepalend of juist als volledig in de massa verdwijnend. De groepen mensen die in een keer de straat oversteken zijn altijd op mensenmaat. Dus jouw keuze om het rode licht te negeren kan best een invloed hebben op de keuze van twee of drie andere mensen, maar niet op die van de hele wereld.

Tot slot een zeer uitgebreid voorbeeld van hoe men, door over het lopen in het verkeer na te denken, als vanzelf tot gedachten komt die idealistisch zijn in de eerder beschreven betekenissen.

Iemand vertelde me hoe hij op een dag merkte dat hij een extra stapje zette telkens het licht op groen sprong en hij begon te stappen. Hij stond als altijd te wachten voor het rode licht, toen het op groen sprong en hij als altijd wou oversteken. Maar voor de eerste keer constateerde hij dat het been dat hij te dien einde als eerste in beweging bracht niet het been was dat als eerste op het zebrapad landde. Nee, eerst was er een klein stapje ter plaatse, en dan kwam pas de eerste stap die naam geheel waardig!

Zijn eerste reactie was een realistische reactie. Nu hij deze onregelmatigheid bemerkt had, kwam hij bij alle volgende verkeerslichten na het op groen springen niet meer in beweging zoals voorheen. Hij begon, eigenlijk zonder dit bewust beslist te hebben, zijn gang vanaf nu met een enkele kordate stap naar voren. Hij onderdrukte het kleine stapje ter plaatse. Ik noem dit een realistische reactie omdat er de volgende redenering aan ten grondslag lag: hoe meer stappen, hoe meer moeite. Hoe meet je de aangewende energie, en bijgevolg je efficiëntie of inefficiëntie bij het stappen? Antwoord: door de stappen te tellen.

De realistische fase was een interessante periode. Alles was duidelijk en overzichtelijk. Vragen hadden concrete antwoorden. Wat moet ik doen? Geen overbodige extra stappen zetten. Toch bleef deze fase niet duren. Een hypothese dook plots op in zijn gedachtestroom: wat als dit extra stapje energie bespaart in plaats van haar te verspillen? Deze gedachte was niet door een bijzondere observatie ingegeven, ze had hem als het ware beslopen en was plots daar. Toch bleek ze niet zo gemakkelijk weg te redeneren.

Wat als dit de meest energie-efficiënte manier was om terug te beginnen stappen? Misschien was het stappen wel een gecompliceerdere bezigheid dan op het eerste gezicht het geval leek te zijn. Misschien speelde de vaart die hij al had ook een rol, en niet enkel de energie die hij moest aanwenden om zijn benen te bewegen. Wie kon zo voor de vuist weg zeggen welke factoren allemaal samenwerkten om een eenvoudig feit als lopen in de werkelijkheid te roepen? Maar zelfs als het een vertrouwd begrip als de vaart was, die hij in de beschouwing betrok, moest hij de situatie al anders beginnen te evalueren. Immers, misschien wist zijn lichaam, of iets in zijn lichaam, wel beter dan hij wat de efficiëntste manier was om zijn gang in de gewenste vaart te brengen, en misschien was die manier wel het zetten van een klein extra stapje. Dan betekende dat, dat de realistische conclusie voorbarig was geweest.

Vooralsnog was het een loutere hypothese en kwam het er alleen op aan te onderzoeken hoe sterk ze zich zou uitwijzen. Ze had aan de ene kant het grote nadeel dat ze de zaken veel complexer maakte. Vragen hadden niet meer de enkelduidige antwoorden die ze voorheen hadden; het leek wel alsof er een vaagheid in zijn gedachten geslopen was. Het was niet meer zo makkelijk om gewoon te oordelen en komaf te maken met de hele zaak. Maar aan de andere kant waren er goede redenen voor de theorie. Ze leek bij nader inzien beter te passen in zijn wereldbeeld, in het geheel van zijn gedachten over hoe de wereld werkte. Het leek logisch te veronderstellen dat het lopen meer was dan alleen de optelsom van de individuele stappen; een stap uit stilstand is iets anders dan een stap beschouwd binnen een loopritme. Dus was het ook logisch dat er voor de overgang van stilstand naar loopritme bijzondere regels zouden gelden.

Alleen was er geen duidelijke manier meer om de geïnvesteerde energie te meten, omdat de stap als meeteenheid, deze luxe voor het oordelen, opgegeven was. Daarmee was de enigszins merkwaardige situatie ontstaan, dat de theorie die er het beste voorstond de theorie was die het de filosoferende mens het moeilijkst maakte. De nieuwe theorie deed aanvankelijk relevant geachte elementen verdwijnen en liet van andere de scherpe contouren vervagen. Maar toch was ze in vergelijking met de comfortabelere theorie beter in het verklaren van de dingen.

Dit is een voorbeeld van hoe men op geheel natuurlijke wijze van een realistische theorie tot een idealistische theorie komt. Ik vat samen: het is een theorie die niet een of andere aanzet uit de realiteit krijgt; ze wordt door de realiteit bevestigd, maar het is niet de realiteit die een dwingende reden aanlevert om de theorie te overwegen. Die wordt aangeleverd door de creativitet van het menselijk denken. (Nuja, er is een element uit de realiteit dat de aanzet geeft om naar de idealistische theorie over te gaan: het bemerkt worden van het extra stapje. Maar dit kan ook op realistische manier “verklaard” worden, namelijk door bij de oorspronkelijke theorie te blijven en te concluderen dat het stapje simpelweg overbodig is.)

De theorie is niet op algemene principes gebaseerd, maar volgt simpelweg het menselijke tempo van wat er in het dagelijkse leven allemaal voor nieuwe dingen geobserveerd kan worden. De theorie ontstaat bijvoorbeeld niet door de generalisatie dat alles wat het lichaam uit zichzelf doet efficiënt is (en dus ook het kleine extra stapje). Een dergelijke generalisatie speelt geen rol, want de gedachtengang kan ook gebaseerd worden op concrete feiten en observaties. Het lichaam is ontwikkelt trouwens evenzeer allerlei gewoontes die slecht of inefficiënt zijn.

De theorie kiest voor een ongrijpbaar element als vooronderstelde bouwsteen van een complex fenomeen, in plaats van een grijpbaar element als een stap. Toch is deze keuze uitsluitend gebaseerd op concrete overwegingen. Verder wordt door deze keuze ook het volgen van de gedachten moeilijker. Men kan zich niet meer op elk punt van de gedachtengang ondersteund voelen door een corresponderend tastbaar feit, maar men moet in tegendeel zelf de gedachten-mortel al denkend voortbrengen, om te beletten dat het gedachtenbouwwerk ineenstort zodra het gedachte niet meer geobserveerd kan worden.

Bij het lezen van Schiller

Ik ben Schillers Briefe über die ästhetische Erziehung des Menschen beginnen lezen (eigenlijk niet de tekst van Schiller zelf, maar de populariserende bewerking van Lorenzo Ravagli). Direct in de eerste brief is het al vuurwerk:

Wie der Scheidekünstler, so findet auch der Philosoph nur durch Auflösung die Verbindung und nur durch die Marter der Kunst das Werk der freiwilligen Natur. Um die flüchtige Erscheinung zu haschen, muß er sie in die Fesseln der Regel schlagen, ihren schönen Körper in Begriffe zerfleischen und in einem dürftigen Wortgerippe ihren lebendigen Geist aufbewahren.

Tot hier toe leest de met filosofie niet geheel onbekende lezer niets nieuws, die van 1793 net zomin als die van 2013. Ja, voor de laatste zal het eerder herinneren aan de recente filosofie dan aan de filosofie van twee eeuwen geleden. Misschien kan hij Schiller bewonderen om de bondige manier waarop hij een complexe gedachte kan samenvatten, maar van de gedachte zelf zal hij niet van zijn stoel vallen. Dan echter:

Ist es ein Wunder, wenn sich das natürliche Gefühl in einem solchen Abbild nicht wieder findet und die Wahrheit in dem Berichte des Analysten als ein Paradoxon erscheint?

Wat een pointe voor de lezer van nu! Een sluier wordt van dit iets, dat heel bekend is uit de recente filosofie, weggenomen – en het blijkt het de waarheid was die zich erachter verschool! Althans voor Schiller. Maar hoe verrassend voor de moderne lezer, die dit ‘paradoxale’ helemaal niet geneigd is te verbinden met de idee van waarheid.

En wat een aansporing ook, om al je gedachten over dit onderwerp te herevalueren in het licht van Schillers woorden! Blijkbaar kon het voor iemand op het einde van de achttinede eeuw heel vanzelfsprekend zijn dat het paradoxon, dit ding dat altijd noodzakelijkerwijs in een eerdere stap uiteengevallen is en alleen door ons, met alle feilbaarheid van ons verstand, weer ineengeknutseld kan worden, wel eens de waarheid zou kunnen zijn. Het zich verplaatsen in een dergelijke gedachtewereld alleen al opent de weidste perspectieven.

Een uitbraaksel betreffende Liesbeth Homans

In de commentaarsectie van dit artikel in De Morgen:

Vorige week zat ik met twee kameraden een pintje te drinken in een Gents park. Kwam daar een andersgekleurde medemens schooien om mijn pak tabak, geen sigaret, maar het hele pak tabak. Ik heb hem vriendelijk verzocht om zelf tabak te kopen waarna de man voor heel het park tot vijf keer toe “racist” schreeuwde terwijl hij naar mij wees. Dus wie zich niet laat overvallen wordt racist genoemd. Dàt is de essentie van Homans’ betoog.

Wat een weldaad is het om dit te lezen. Misschien komt het vreemd over om dat zo te zeggen, maar ik vind dat de schrijver ons een grote dienst bewijst. Ik besef dat ik dit allemaal een beetje meer moet kaderen.

Er zijn om te beginnen een aantal verschillende niveaus, waarop er stuk voor stuk een gebrek is aan duidelijkheid:

  • Het niveau van de vraag “wat is racisme?”
  • Het niveau van de vraag “wat is wel en wat is niet het standpunt van de N-VA?”
  • Het niveau van de opvattingen van Liesbeth Homans
  • Het niveau van wat Liesbeth Homans in het interview in De Standaard met zoveel woorden zegt.
  • Het niveau van wat Liesbath Homans in het interview in De Standaard niet met zoveel woorden zegt.

Over al deze niveaus kan je lange discussies voeren en voor weinig dingen zijn er eenduidige aanknopingspunten te vinden.

Bijvoorbeeld de kwestie of racisme een gruwel is – dat is iets dat zweeft tussen de laatste twee niveaus. Het geïntendeerde, dat wat niet met zoveel woorden gezegd is, staat er zo mooi. Wat ze bedoelt is zo duidelijk, als je het gehele citaat neemt:

“Getuige van racisme?” Jullie doen alsof het een gruwel is, een misdaad tegen de menselijkheid. De Vlaming is soms zó beschaamd over de eigen taal of cultuur. Als je andere partijen hoort over de cursus Nederlands, dan lijkt het wel alsof het een lijfstraf is. “Nederlands leren? Zot! Gij vuile fascist!”

Maar wat ze met zoveel woorden zegt, vormt een probleem. “Jullie doen alsof het een gruwel is.” Daarmee impliceert ze eenduidig dat het voor haar geen gruwel is, of op zijn minst niet altijd een gruwel is. En dat is zowel iets dat snel teruggenomen is als iets waarmee de N-VA waarschijnlijk niet wil vereenzelvigd worden.

Het is dus in zekere zin spijtig voor de geïntendeerde boodschap. Het valt tegen dat de idee “er gebeuren wel degelijk dingen die niet in het leve-de-diversiteitplaatje passen” door Homans niet geformuleerd kan worden zonder te zeggen dat racisme oké is (niet altijd een gruwel is). Hier vrolijk over heenstappen, à la “het is toch duidelijk wat ze bedoelt!” is iets wat NV-A’ers even weinig willen als anti-N-VA’ers. Ofwel bedoel je wat je bedoelt, ofwel bedoel je niet wat je bedoelt, maar dat laatste is gewoon een te hoge prijs om te betalen.

Terug naar de hoofduiteenzetting. Er zijn zoveel niveaus en zo weinig aanknopingspunten. Voor de filosoof is dat nu in eerste instantie geen probleem. Hij kan zijn onderzoek in het rijk van het hypothetische voeren. Hij stelt verchillende hypothesen naast elkaar, zonder zich zo direct om de werkelijkheid te bekommeren. “Stel dat dit vast stond, dan zou daaruit deze conclusie volgen, stond echter dat vast, dan zou daaruit die andere conclusie volgen, enzovoort.” Hij weegt de mogelijkheden tegen elkaar af, en merkt zo dat sommige configuraties van gegevenheden onmogelijk zijn. Om dit onderzoek uit te voeren, mag de filosoof zich niet laten leiden door zijn eigen vooroordelen. Hij moet bijvoorbeeld ook objectieve conclusies kunnen trekken uit de premissen dat er verschillen tussen mensen zijn afhankelijk van het ras waartoe ze behoren. Hij mag er niet op voorhand van uitgaan dat racisme fout is. In tegendeel, hij moet het ontdekken. Als hij het niet kan ontdekken, moet hij proberen te ontdekken onder welke voorwaarden racisme geldig kan zijn en onder welke niet. Maar het moet op onbevooroordeeld filosofisch onderzoek gebaseerd zijn.

Het probleem is dat hij nooit op basis van zijn filosoferen alleen de band met de feitelijke werkelijkheid kan vinden. Dat gebeurt altijd op basis van kennis van de feiten. De feiten leren aan de filosoof welke van de duizenden mogelijke situaties overeenstemmen met de wereld. Dit is iets dat gewoonlijk zonder dat we het merken gebeurt; we denken meestal niet zo eenzijdig rechtdoor, en dwalen spontaan niet al te ver af van de vertrouwde feitelijkheid. En toch, hoe onbevooroordeelder we denken, hoe meer we deze spontaniteit loslaten en zelf moeten beginnen opletten dat we de verbindingswegen met de werkelijkheid niet uit het oog verliezen.

Hier komt een stelling als de aan het begin geciteerde ons enorm te hulp. Het levert meteen een voorbeeld van waar het debat om draait. Het laat meteen zien hoeveel gewicht er moet toegekend worden aan de mening van diegenen die wel graag, als het mogelijk was, een racisme light zouden willen onderschrijven.

Ik zou dit verhaal nooit hebben kunnen verzinnen, maar het komt uit de feitelijkheid tot mij en heeft het effect van een bliksemflits. Ik maak er een maatstaf van om hypothesen te beoordelen, en het leidt me verder op de weg die ik denk dat de juiste is. Alles wordt helderder.

Ja, het sigarettenverhaal dat deze commentator vertelt is wat iedereen kan meemaken. Ja, het is iets waar je niet omheen kan. Het is exact het punt dat je niet kan wegredeneren. Inderdaad, iemand die ontkent dat dit gebeurt is dom of liegt.

Maar welke conclusie kan eruit volgen? Is dit, zoals de schrijver beweert, de essentie van Homans’ betoog? Antwoord: ofwel ja, ofwel nee. Maar niet elke configuratie van mogelijkheden is mogelijk.

Als het antwoord ja is, dan spreekt het voor Liesbeth Homans dat ze aanknoopt aan een feitelijkheid die niet kan weggeredeneerd worden. Soms word je uitgescholden voor racist omdat je je pakje tabak niet wil geven aan iemand die vraagt het te krijgen en die toevallig een andere huidskleur heeft (terwijl je het pakje evenmin zou geven als indien deze persoon dezelfde huidskleur had). Het spreekt dan voor Liesbeth Homans dat ze een probleem wil aankaarten dat reëel is maar moeilijk is om ter sprake te brengen, een probleem met onze houding tegenover racisme, een probleem met onze fluwelen handschoentjes. Het spreekt dan nogal sterk tegen Liebeth Homans dat ze een heel brede maatschappelijke problematiek tot deze feitelijkheid wil terugvoeren. Dat zouden jij en ik en de schrijver van het geciteerde stukje zonder enig bezwaar mogen doen, maar nu toch niet de voorzitter van het OCMW. Er zijn gewoonweg meer feitelijkheden, en veel acutere feitelijkheden, dan wat iedereen met een beetje pech kan overkomen, namelijk dat een paar voorbijgangers wel eens zouden kunnen denken dat het etiket ‘racist’ op hem van toepassing is.

Als het antwoord nee is, dat wil zeggen als dit niet de essentie van Homans’ betoog is, dan is er niets aan de hand. Dan knoopt ze niet aan bij dit feitelijke probleem. Dan kan niemand zich hier ook op een naar het emotionele neigende manier op beroepen. Het heeft geen betekenis. Het is misleidend, want het geeft de indruk dat Homans sympathiseert met de mensen die het slachtoffer zijn van dergelijk tabaksgeweld, terwijl ze in feite op een veel objectievere en neutralere manier met het thema omgaat.

Als het antwoord nee is, is het misleidend. En het is opvallend hoe misleidend het zou zijn.

Als het misleidend is, is het ook een belediging voor alle mensen die op de N-VA hebben gestemd en de indruk zouden kunnen krijgen dat het door Homans verwoorde standpunt het standpunt van de N-VA is, hetgeen op zijn minst toch door sommige commentatoren geïnsinueerd werd. (Ik citeer: “Voor de zoveelste keer komt De Witte tussen in een politiek debat én kiest hij partij. Zoals te verwachten valt, een frontale aanval op de N-VA.” Maar van de N-VA geen sprake in het artikel van De Witte, enkel van Liesbeth Homans.)

Op nog een ander vlak levert de geciteerde anekdote een maatstaf om het debat voor iedereen vooruit te helpen. Als we met deze anekdote de essentie van Homans’ betoog, en mogelijkerwijs van het betoog van de N-VA als geheel getroffen hebben, laten we dan de feitelijke basis respecteren. Inderdaad, dergelijke situaties komen voor, en ze zijn irritant. Laten we het daarover eens worden. Goed, maar als we het erover eens zijn, kunnen we ook een stap verder gaan. Welk gewicht moeten we aan een dergelijk geval hechten? Ik doe maar een eenvoudig voorstel: laten we ons een weegschaal voorstellen en laten we in de ene schaal dit probleem leggen met alle ergernis die erbij hoort. Immers, de tabakman is niet alleen, er zijn er meer die onder de dekmantel van racisme dingen willen die van ons zijn, en ze doen het misschien wel op grotere schaal, enzoverder. In de andere schaal leggen we de echte ervaringen van racisme, ondervonden door de mensen met de verkeerde huidskleur, toegbracht door – ja niet door ons natuurlijk, maar door “echte racisten”. Ik hoef die ervaringen niet te beschrijven. Jozef De witte treft wat dat betreft de juiste toon.

Vervolgens kijken we naar welke kant de weegschaal overhelt en proberen we het eens te worden over een interpretatie. Het is maar een voorstel, deze weegschaal. Maar laten we verder geraken. Doe een tegenvoorstel als het moet.

Zie je, het is een enorme winst zo’n concreet voorbeeld te hebben. Je hebt direct iets om je aan vast te houden. Iets dat de weg wijst omdat het feitelijk is. Het zorgt dat de discussie niet in de lucht blijft hangen, maar doelgericht wordt, omdat het over iets concreets gaat.

(Ik vermoed dat er in het bovenstaande dingen staan die ik anders zou zeggen als ik de tijd had om alles rustig na te lezen alvorens het te publiceren. Maar ik wil het liever nu publiceren dan op die gelegenheid te wachten.)

Ongeordende gedachten over epistemologie 1-5

1. Wat is een argument?

Een argument is iets dat je niet onthoudt. De premissen zijn de dingen die je onthoudt (“onthouden” is niet hoe je het zou noemen overigens, je zou het meestal “intuïtie” of “vanzelfsprekendheid” noemen), maar het argument is wat voor jou nodig is om vanuit de premissen verder te geraken richting waarheid. De conclusie is datgene waaraan je niet aan kan ontsnappen, ookal zou je het wel willen, en datgene wat je dus niet automatisch al onthoudt.

 

2. Een voorbeeld hiervan

Populisme is een woord met vele definities, maar het wordt meestal gebruikt om een bepaalde kernbetekenis aan te duiden. Deze kernbetekenis zou je misschien als volgt kunnen omschrijven: populistische argumenten volgen een ander mechanisme dan gewone argumenten. Het is alsof er een troef gespeeld wordt in een kaartspel waarin je dacht dat er geen troef was. Het voelt aan als valsspelen, ookal ben je in de praktijk misschien te verbluft om te protesteren, en gaat de slag naar degene die troef uitgekomen is.

Anders, omslachtiger, gezegd: er wordt beroep gedaan op dingen, maar niet op de dingen waarop beroep gedaan zou moeten worden. Bijvoorbeeld op een wij-zij-buikgevoel (zij zorgen voor onveiligheid, minder werk, minder vooruitgang). Is het op zich een probleem dat een dergelijk buikgevoel een plaats zou krijgen in de steeds evoluerende articulatie van hoe wij vinden dat onze maatschappij er moet uitzien? Nee – maar we hebben wel het gevoel dat er aan iets voorbijgegaan wordt op het moment dat de buikgevoelens qua buikgevoelens een bepalende factor worden. Buikgevoelens hebben de eigenschap op een andere manier werkzaam te zijn dan andere argumenten. Ze hebben op een andere manier invloed op het bewegen van de opinie in de richting van de ene of de andere positie. En het voelt een beetje aan als vals spel, wanneer een opinie op deze manier beïnvloed wordt, daar waar we verwacht en gehoopt hadden dat hij op de “normale” manier zou hebben plaatsgevonden, d.w.z. door meer of minder genuanceerde argumenten in een meer of minder open gesprek. Tot daar de poging om de kernbetekenis van populisme te omschrijven.

Welnu, soms heb je het gevoel dat iemand anno 2013 zijn hele leven zou kunnen leiden, onophoudelijk voortgesleept wordend van de ene populistische opinie naar de andere. Het lijkt zo ontzettend makkelijk om mensen te beïnvloeden eens je ze er op de juiste manier van overtuigd hebt gekregen dat wat jij zegt a priori heel wat gewicht in de schaal legt: want je “zegt wat iedereen denkt”, je hebt de Bijbel aan je kant, je neemt terrorisme serieus, enzovoort. Het lijkt zo ontzettend zinloos om een inhoudelijke discussie te willen voeren. Dat zou immers toch geen zin hebben. Je kan alleen maar observeren hoe argument na argument het onderspit delft tegen populistische ideeën die inhoudelijk nauwelijks enige draagwijdte hebben.

En toch is een inhoudelijk argument het enige ding dat machtiger is dan een populistische strategie. Omdat een argument precies datgene is waaraan je niet kan ontsnappen. Het is te zeggen, je kan eraan ontsnappen, maar altijd alleen maar voorlopig, door de onvermijdelijke confrontatie tijdelijk uit de weg te gaan.

In een geval als populisme zie je het principe duidelijk aan het werk omdat het op de spits gedreven is, maar ook in alledaagse situaties is het hetzelfde principe: een argument is datgene wat plaatsvindt op de grens tussen de dingen waarin je gelooft zonder dat ze gemotiveerd hoeven te worden en de dingen die je zal moeten aanvaarden omdat je als puntje bij paaltje komt niet anders kunt.

Dit fragment uit The West Wing kan een illustratie zijn. “De Bijbel heeft altijd gelijk,” is wat sommige mensen onthouden. “Er is geen dwingende reden om homo’s te stenigen,” is wat ze niet onthouden. Maar voor andere mensen ligt de grens tussen wat onthouden wordt en wat niet onthouden wordt ergens anders.

[De laatste drie zinnen toegevoegd op 9/8/13.]

 

3. Wat is filosofie?

Filosofie is denken met argumenten. Blijkbaar zijn er bepaalde categorieën van gedachten die in de andere wetenschappen, of als je wil in de andere domeinen van het leven, niet gemaakt worden.

Simpel voorbeeld, een zigeunerin legt mij de kaart en vertelt mij dat ik lang zal leven. De wetenschapper komt in zijn denken tot het punt dat hij zegt: “jamaar hola, ik kan nu onder een trein gaan liggen en dan zal ik niet lang leven. Bijgevolg is het kunnen toekomstvoorspellen weerlegd!” Het is pas de filosoof die tot de conclusie komt: “als je niet werkelijk onder een trein gaat liggen, is er helemaal niets weerlegd, want lang leven omvat ondermeer ook de beslissing om het kunnen toekomstvoorspellen niet voor eens en voor altijd te willen weerleggen met de hulp van een trein.” Of het kan in de praktijk ook de wetenschapper zijn die tot deze gedachte komt, maar dan zou ik eerder zeggen dat hij op dat moment een filosofische gedachte heeft gehad heeft.

 

4. Observatie

Iedereen heeft er altijd de mond van vol dat men niet, verkeerdelijk, de overgang mag maken van weten naar moeten (in de filosofie). Maar het omgekeerde gebeurt de hele tijd (in het gewone leven).

Mensen vertrekken vanuit een door en door ethische vraagstelling: “Wat moet ik doen?” En ze besluiten: “Er is toch geen vast punt, er is toch geen standpunt van waaruit ik kan zeggen dat ik zus moet handelen eerder dan zo.” Dit is echter een epistemologische stellingname.

 

5. Wat epistemologie voor mij betekent

Er is een idee dat periodiek in mij opflakkert. Nu, in feite is het niet zo zeer een idee, als wel een losse samenhang van verschillende ideeën, waarvan ik niettemin geloof dat ze uiteindelijk bij elkaar zullen blijken te horen. Ik zou ook kunnen zeggen: het is een beeld dat ik najaag, of: het is een bron van inspiratie die soms meer en soms minder identificeerbaar is, zoals dat met bronnen het geval kan zijn.

En welbeschouwd is het opflakkeren ervan misschien ook minder een periodieke regelmaat, dan iets wat in zijn komen en gaan afhankelijk is van hoeveel ik ervoor opensta. Van mijn openstaan en ook van de situatie. Zolang ik aan de universiteit studeerde bijvoorbeeld, verkeerde het ideeënkluwen waarover ik spreek in een bijzondere toestand. Enerzijds vielen daar allerlei interessante gedachten op te pikken, die des te interessanter waren omdat ze de veelkleurigste reflecties vonden in het kluwen dat steeds op de achtergrond aan het woelen was. Anderzijds bleven het een-zijn en de grote samenhang ervan altijd ongrijpbaar zolang ik dag in dag uit in de academische denksfeer ondergedompeld was. Met uit deze invloedssfeer weg te zijn is het alsof er een frisse bries in een stille kamer gekomen is.

Als het opflakkert, dan laait het echter in alle hevigheid. Ik loop op de straten en zie op elke straathoek nieuwe dingen, dingen die ik al honderd keer gezien heb en die toch onverwacht in het midden blijken te staan van de vloedgolf aan dingen die nu aan het leren begrijpen ben, door alleen te lopen en te observeren. Het vergaat me als iemand die een complot begint te ontwaren. De joden zitten erachter. Zie! Daar en daar en daar, het is toch duidelijk!

Alleen, zou je niet kunnen zeggen dat de epistemologie het ene onderwerp is dat naar zijn innerlijkste aard overal op van toepassing is? Mensen met een idee-fixe zijn niet meer dan onvolkomen epistemologen, die de diepste kern van het complot nog niet hebben ontdekt. Namelijk de epistemologie. En de machten die het verborgen willen houden zijn niet zozeer reële personen, als wel onze aanleg, onze geschiedenis en onze gewoonten.

Hoe Monsanto mijn dichterlijke gevoelens wakkerroept

1. Een episch geval

Echt bewonderenswaardig is dit artikel. Zing mij, o muze, van de perfect uitgevoerde drogredenering!

Naar tegenwoordige maatstaven is het al een zeer oud artikel, maar wat het ons kan leren is des te actueler.

Natuurlijk is het een beetje zoals bij een goocheltruc. Je kan over een truc en zijn geheim lezen en je een begrip vormen van zijn effect, maar om echt in te schatten hoe verrassend het effect is, gaat er niets boven de truc ondergaan voordat je weet wat het geheim is. Zo zou je ook eigenlijk zelf eerst het artikel moeten lezen en je helemaal laten meevoeren door de misleidende teneur, alvorens mijn commentaar te lezen. Dat is, als je echt het effect in zijn volheid wil ervaren. Maar het is geen voorwaarde om deze commentaar te begrijpen.

Wat het artikel schijnbaar doet is een genuanceerd beeld geven van de zaak rond Árpád Pusztai, de onderzoeker die in 1998 op basis van wetenschappelijke proeven beweerde dat hij kon aantonen dat GGO’s schadelijk voor menselijke consumptie waren, en om deze bewering nu nog te pas en te onpas wordt geciteerd.

De indruk die men krijgt bij het lezen van het artikel kan men ongeveer zo samenvatten

  • het lijkt een onbevooroordeelde beschrijving
  • er wordt duidelijk uitgelegd wat de inzet van de ene groep wetenschappers is (ggo’s zouden gevaarlijk kunnen zijn) en wat de inzet van de andere groep wetenschappers is (misschien is het onderzoek niet juist uitgevoerd)
  • het verloop van de discussie wordt beschreven, heel interessant
  • eigenlijk staat de tweede groep van wetenschappers toch sterker, d.w.z. het zal wel inderdaad het geval zijn dat het experiment niet juist uitgevoerd is
  • het is aangenaam om voor de verandering eens een genuanceerde tekst te lezen over het thema ggo’s

Men is echter op een wonderbaarlijk effectieve manier op het verkeerde been gezet. De reden waarom men als lezer de indruk heeft gekregen dat het ene kamp wat meer gelijk heeft dan het andere is op niets dan een argumentum ad hominem gebaseerd. Er wordt simpelweg gesuggerreerd dat de wetenschappers die geloven dat ggo’s gevaarlijk zouden kunnen zijn minder goede wetenschappers zijn. Zeer geslaagd is dat bewerkstelligd door op enkele plaatsen het woord ‘expert’ tussen aanhalingstekens te zetten. Maar verder wordt er nauwelijks een reden gegeven waarom het om een inferieure groep van wetenschappers zou gaan. Er wordt alleen gezegd dat het wetenschappers zijn die overwegend uit het buitenland komen.

De lezer krijgt het gevoel dat hij een genuanceerde tekst heeft gelezen (want voor de verandering zijn er argumenten van beide zijden aan bod gekomen), dat het over inhoudelijke argumenten is gegaan (want het hele verloop van de discussie wordt verhaald, zij het zonder de harde data van het onderoek) en dat de conclusie dus juist moet zijn dat de tegenstanders van de ggo’s niet genoeg argumenten hebben om hun punt hard te maken (als gevolg van het ad hominem-argument).

De drogreden is immers zo perfect uitgevoerd! Ik heb een paar keer willen zeggen dat het een geraffineerde drogreden is, maar dat is het zelfs niet. De aanhalingstekens staan daar open en bloot, geheel volgens de regels der goochelkunst. Elke goede goochelaar weet immers dat teveel raffinement nefast kan zijn omdat het de aandacht vestigt op wat men probeert te verbergen. Wil je voor je aan een kaarttruc begint weten welke kaart de vierdeonderste is, dan is het het best om gewoon ongedwongen de kaarten te bekijken. Je kan eventueel altijd nog een excuus maken als iemand zich daar vragen bij stelt. “O, ik wilde gewoon nakijken of de jokers er uit zijn.” Er zijn technieken om zonder dat iemand het merkt de vierdeonderste kaart te spieken of om een bekende kaart naar de vierdeonderste plaats te manouvreren, maar de eerste regel is dat het ongedwongen moet lijken, en dat je altijd de aandacht afleidt naar andere dingen. Zo ook in het onderhavige geval: de aanhalingstekens staan in het volle zicht en de aandacht wordt afgeleid door de schijnbaar zeer genuanceerde toon van het artikel. Het valt bij een eerste lezing niemand op dat er werkelijk geen enkele reden gegeven wordt waarom het ene kamp het meer bij het rechte eind heeft dan het andere. Behalve de aanhalingstekens. Zij brengen het voor elkaar.

——-

2. Een dramatisch geval

Maar denk ik dat de wetenschappers zullen kunnen aantonen dat GGO’s onveilig zijn? Ja en nee.

Om dat uit te leggen moet ik een onderscheid maken tussen twee types van wetenschap. Ik wil het echter niet gedetailleerd uitleggen, ik wil het alleen aanduiden, dus ik introduceer het onderscheid zonder veel onderbouwing.

Aan de ene kant heb je de wetenschap zoals die nu leeft in de voorstellingen van veel mensen. Aan de andere kant de wetenschap die revolutionaire ontdekkingen doet.

De eerste wetenschap heeft een kader dat waarin alles duidelijk is. Het telkens duidelijk aan een onderzoek wat de meest relevante gegevens zijn, waaraan het meeste gewicht moet toegekend worden. Deze wetenschap heeft ook een wetenschapsfilosofische onderbouwing die grotendeels zegt: “we gaan in de juiste richting.”

De tweede wetenschap is diegene die telkens ontdekt dat het kader gesprengd moet worden. Bijvoorbeeld: we merken dat de energiewaarde van onze voeding blijkbaar niet het enige belangrijke aspect is, en dat er ook iets als de vitamine moet zijn. Die heeft echter geen plaats in ons systeem. We moeten het systeem, het kader zelf, veranderen. Op basis van de op een eerder tijdstip relevante gegevens zie je niet dat vitamines als verklaring geïntroduceerd moeten worden. Ze zijn op dat tijdstip niet relevant, maar je moet er gewicht aan verlenen dat er voordien niet aan verleend is, en dan blijken ze relevant. Is het onwetenschappelijk? Nee. Het is eigen aan de wetenschap om zijn kader te overstijgen. De wetenschappelijke onderbouwing van deze wetenschap is de andere wetenschappelijke traditie (Popper, Van Fraassen, naast vele anderen)

Binnen de eerste wetenschap zal men volgens mij niet tot de conclusie komen dat GGO’s in het algemeen slecht zijn. Want ik geloof dat het mogelijk is GGO’s te ontwerpen die binnen de consumptieveiligheidsgrenzen vallen die deze wetenschap moet opstellen. De situatie met betrekking tot consumptie is hier niet anders dan bij additieven of medicijnen. Op het moment dat men zou ontdekken dat GGO’s onveilig zijn voor consumptie, zou men tegelijk ontdekken dat bepaalde medicijnen en additieven onveilig zijn.

Dit ontdekken is een taak die alleen de eerste wetenschap kan toevallen, niet de eerste. Het kader sprengen, het relevant maken van dingen die dit eerst niet zijn, het aannemen van een wijdere blik. Volhardt men zijn blik te beperken tot de al dan niet giftigheid van chemische stoffen, en de consumptie ervan, dan zal men niets nieuws ontdekken.

Wil dit zeggen dat je GGO’s gerust kan toelaten? Nee, want de grote bedrijven hebben ruimschoots getoond dat je het niet aan hen kan overlaten. De eerste wetenschap heeft hier een duidelijke functie, ookal is ze dan eenzijdig. Ze beperkt het ongelimiteerde van Monsanto & co.

Toch is de zaak nog ingewikkelder. Beschouw de manier waarop de wetenschappers die tegen GGO’s opgetreden zijn, Pusztai, Séralini en de anderen, een plaats innemen binnen het algehele web tussen wetenschap, maatschappij en industrie.

Het zijn wetenschappers die hun plaats kiezen binnen de eerste wetenschap. Deze eerste wetenschap geeft hen ongelijk, maar ze voorziet wel uitdrukkelijk een plaats voor hen. Ze vindt dat er een plaats moet zijn voor afwijkende meningen. Immers, individuele onderzoeksresultaten kunnen fout zijn. Op elk moment kan er iets als wetenschappelijk waar beschouwd worden, dat pas later door nieuw onderzoek weerlegd wordt. Het geldt dan korte tijd als waar, vanuit een groter perspectief is het duidelijk dat het al die tijd onwaar geweest is. Dergelijke overwegingen zijn thuis in de wetenschapsfilosofie, het corpus dat ook de eerste wetenschap heeft om zichzelf te onderbouwen en te legitimeren. Kunnen individuele wetenschappelijke resultaten fout zijn? Ja. Daarom moet er een levendig debat zijn, moeten alle afwijkende meningen een kans krijgen om gehoord te worden en hun merites te kunnen bewijzen.

Het beste argument om vertrouwen te hebben in dit omgaan met normbevestigende en afwijkende meningen, is dat het altijd gewerkt heeft. Iedereen die de geschiedenis van de wetenschap bestudeerd heeft weet dat dat een van de meest in het oog springende feiten is.

Alleen werkt het in de kwestie rond de GGO’s uitzonderlijk niet. Tijdelijk of permanent, het debat dat in feite gevoerd wordt geschiedt hoogstens in schijn op het niveau waar bijvoorbeeld het debat rond vitamines gevoerd werd, het niveau waarop er aan de dingen zelf geraakt wordt.

De grote vraag is dan: hoe kan iets tegelijkertijd altijd werken en uitzonderlijk niet werken? Opnieuw, ik wil het hier niet gedetailleerd en onderbouwd uitleggen. Het is niet meer dan een schets van een interpretatiemodel als ik zeg dat het iets te maken heeft met de manier waarop de legitimatie van de eerste wetenschap hier in elkaar zit. Men beroept zich op “het is altijd goed gegaan zo.” Dat kan, zodra de scherpte waarmee men deze legitimatie en alles wat erbij hoort een klein beetje vermindert, gemakkelijk verworden tot: “we zijn zo of zo goed bezig.” Namelijk als het criterium verdwijnt, het besef van de functie die de afwijkende meningen spelen. Die functie is er alleen als ze beoordeeld worden naar hun lading en niet naar hun vlag. Maar dat is een van de dingen die je ziet gebeuren in het GGO-debat: het criterium is nog aanwezig, maar slechts in lege verwijzingen naar legitimatieprincipes, niet in een echt beoordelen naar de inhoud.

Men zou het ook zo kunnen zeggen: de wetenschapsfilosofie die de eerste wetenschap fundeert en legitimeert, heeft – in theorie, namelijk als ze Popper en Van Fraassen in het achterhoofd heeft – veel van de tweede wetenschap in zich. Het is daarom dat de theorie min of meer klopt. Als het zo is dat de beide soorten wetenschap fungeren als twee stromen die aan één bron ontspringen en dat ze zich op deze oorspronkelijke eenheid beroepen, dan werkt het inderdaad. Er is dan een dudielijk criterium. Maar in de praktijk beroept de eerste wetenschap zich soms op zichzelf alleen. “Het is altijd goed gegaan zo,” zegt ze, maar ze heeft daarbij alleen zichzelf op het oog, niet de oorspronkelijke eenheid.

Deze vereenzijdiging wordt in de hand gewerkt door het tegenwoordige enthousiasme voor waarheden die emergeren uit de massa. De eerste wetenschap schijnt goed aan te sluiten op dit enthousiasme. Alleen al aan de bijzondere manier waarop de gedachten van bijvoorbeeld Dawkins circuleren op allerlei internetfora en blogs is dat duidelijk te observeren. Het soort van emergente waarheid waarover ik spreek wordt beschouwd als nieuw en naar de toekomst wijzend. Maar er is helemaal niets nieuws aan. Het is gewoon het oude spel dat een beetje sneller gespeeld wordt, en waarbij de winnaars noch de verliezers nog kunnen zeggen dat ze op een bepaald moment een argument gewonnen of verloren hebben op een inhoudelijke manier. (Dit laatste is geen eigen gedachte, maar ontleen ik aan het artikel ‘Die Piraten kommen’ van Jakob Grünzweig in Das Goetheanum van 5 mei 2012.)

Nu, ik heb in het bovenstaande vaak gesproken vanuit een niet verder onderbouwde interpretatie van de werkelijkheid. De lezers die tot hier gelezen hebben zullen zich wel afvragen waar het allemaal toe gediend heeft. Beste lezers, wat ik eigenlijk wou schilderen was een geval dat mijn dichterlijke gevoelens even zeer aanspreekt als het geval in het eerste deel van deze blogpost, hier echter geen episch geval maar een dramatisch.

Ik zou, als ik een tragedie wou schrijven, als hoofdpersoon een van de onderzoekers nemen die in het nieuws komen als tegenstanders van GGO’s.

Zij voelen bepaalde dingen aan. Bijvoorbeeld het enorme verschil tussen een additief dat volgens wetenschappelijke normen als (tamelijk) niet-giftig beschouwd wordt, en een hoofdvoedsel als tarwe of aardappel dat volgens wetenschappelijke normen als (tamelijk) niet-giftig beschouwd wordt. Misschien maakt het in het laboratorium geen verschil welke plant binnen of buiten de vastgestelde consumptiegrenzen valt, maar in het dieet van de mensen maakt het een groot verschil. Zij doorzien de machinaties van de grote bedrijven en – dat is het eerste tragische – zij hebben gelijk dat de grote bedrijven gigantisch achterbaks zijn.

Ze hebben ook vertrouwen in de wetenschap, en terecht. Maar hoe laten ze hun kritiek hoorbaar worden? Door aan de eerste wetenschap te doen en op de plaats te gaan staan die deze eerste wetenschap expliciet voor hen voorziet. Dat is het tweede tragische, en het echt fatale, dat aan een Grieks drama herinnert. Ze trappen in de val van hun mening kracht bij te willen zetten op de manier die door de maatschappij gesuggereerd wordt, dus door minder op de inhoud te focussen dan op de duidelijke boodschap. Dus de onderzoeken worden iets onnauwkeuriger, er komen grote foto’s van misvormde ratten, er komt een anti-GGO-lobbycampagne en woorden als frankenfood worden geïntroduceerd. Al gauw worden er velden vernield en zoekt men op alle manieren media-aandacht. Maar het enige wat de vertegenwoordigers van de pro-GGO-lobby hoeven te doen is zeggen dat ze zo graag een inhoudelijke dialoog willen en dat bijvoorbeeld het vernielen van een veldproef niet thuishoort in een democratie (alsof het van democratie getuigt wanneer er in de supermarkt plots van alledaagse voedingswaren geen merk zonder GGO’s meer beschikbaar is, en ik mij daar dan maar moet aan aanpassen). Ze mogen dat zeggen. De wetenschap heeft immers een manier om om te gaan met afwijkende meningen die in de regel goed werkt.

Toch blijkt dat de wetenschap met twee maten meet. De beoordeling van een onderzoek is verschillend als het met de stroom meegaat of als het tegen de tsroom ingaat. Een wetenschapper pro een bepaalde zaak die met de norm overeenstemt mag een beetje creatief zijn bij het selecteren van zijn experimentele resultaten, een wetenschapper contra dezelfde zaak niet. Dat is normaal, maar het is nog een extra hindernis voor de wetenschapper die een zaak wil verdedigen die afwijkt van de norm. Desondanks speelt hij het spelletje mee en heeft hij soms de verwachting dat zijn onderzoek aan een evenwaardige beoordeling zal onderworpen worden als het onderzoek van zijn collega die met de stroom meezwemt. alsof de inhoud van beide onderzoeken even onbevooroordeeld gelezen wordt. Dat is het derde tragische.

Bij dit alles gaan de onderzoekers die proberen te vinden dat GGO’s ongeschikt zijn voor menselijke consumptie niet de resultaten vinden die ze zoeken. Want in de eerste wetenschap zijn deze niet te vinden. Ze zijn alleen in de tweede wetenschap te vinden. Daarmee is het tragische element compleet.

Wat ik eigenlijk wou uitleggen is wat voor een tragedie ik graag zou willen schrijven, meer precies de fatale tendenzen die de acties van mijn personages zouden beheersen. Voelt men zijn borst niet zwellen? De onderbouwing moest niet uitgewerkt worden, alleen aangeduid om het juist te begrijpen. Want in het drama zou ze ook niet uitgewerkt worden. Het zou er alleen over gaan hoe alle personages stap voor stap hun onvermijdelijke ondergang tegemoetgaan.

René de dromeneliminativist

Het thema van het scepticisme heeft me altijd geïnteresseerd. Ik ben er ook op ingegaan in mijn thesis voor filosofie. Nochtans werd daar voor gewaarschuwd. Het was een gemeenplaats dat je als student niet aan deze neiging moest toegeven, er waren immers al “bibliotheken over volgeschreven.” Eigenlijk werd daarmee alleen gezegd dat je over de grootste vragen toch niets nieuws kon zeggen, en dat maakte op mij altijd een onfilosofische indruk. Alsof je beter een thesis schreef over iets waar nog geen bibliotheken over volgeschreven waren, een filosofie van de sport of een filosofie van het downloaden. Daarmee zou de diepgang van je werk even groot zijn als wanneer je over het scepticisme had geschreven, maar inplaats van iets te schrijven wat professor x al geschreven had zou je iets schrijven wat professor x al geschreven zou hebben, indien professor x de filosofie van de sport een interessant onderwerp gevonden had. Dat begreep ik niet. Als de overtuiging was dat je alleen iets kon zeggen wat al gezegd was, waarom moest je dan nog een thesis schrijven? Ik begrijp wel waar die overtuiging vandaankomt. Je leert als filosoof je blik te scholen voor hoe posities berusten op vooronderstellingen, basisuitgangspunten, intuïties uit de wetenschap en de common sense. Dan is de extrapolatie snel gemaakt: er zijn maar zoveel zinvolle beginposities en op elke beginpositie kan je maar zoveel gedachtebouwwerken oprichten. Maar ik blijf erbij dat dit alleen de juiste houding is voor alle andere wetenschappelijke domeinen; in de filosofie moet niet op de van elders gehaalde fundamenten gebouwd worden, maar moet er onophoudelijk gezocht worden naar fouten in de fundamenten. De telos van de filosofie is het vinden van de best mogelijke fundamenten.

Enekel weken geleden dacht ik aan een nieuwe positie in de discussie over kennis en hoe die te funderen. Zonder verdere introductie: hoe weten we zeker dat we dromen?

Een vraag waar ik altijd opnieuw bij uitkom is: waarom zouden we überhaupt het schijnbare feit van de kennis wantrouwen? Vaak zie ik daar geen echt overtuigende reden voor, meestal op het moment dat ik lang over epistemologie heb nagedacht en tot de conclusie ben gekomen dat er goede redenen zijn om de menselijke kennis wel degelijk te vertrouwen. Maar er is altijd nog het knagende idee: is het dan niet mogelijk dat, op een of andere manier, het geheel van de kennis op een of andere manier fout is (je kan die vraag alleen maar vaag formuleren, zodra je de vraag concreet maakt doemen er concrete oplossingen op). Meestal leiden mijn gedachten me vervolgens naar Descartes. Hij was het die de simpele verwondering formuleerde dat onze schijnbare kennis zoals een droom zou kunnen zijn.

Maar wat als Descartes nu hier zou zijn en zou zien wat hij aangericht had? Veel goeds, ongetwijfeld, maar zou dat ook zijn overheersende gevoel zijn? Je bent Descartes en je hebt deze wereld verlaten in de veronderstelling dat je het probleem van de kennis min of meer proper hebt opgelost. Ondertussen hebben ze je vraagstellingen oneindig verfijnd. Veel van wat jij, zoals je nu moet onderkennen, onkritisch hebt aangenomen is vervangen door meer genuanceerde ideeën. Je uiteindelijke conclusie is al lang verworpen, en sindsdien hebben generaties filosofen andere conclusies geformuleerd, waarvan de meeste ook verworpen zijn. Telkens iemand geloofde dat hij de kennis op een bevredigend fundament gesteld had, kwamen er anderen na hem die hun redenen hadden om hem niet te geloven. Vaak waren die redenen jouw schuld. Vaak hoefden de critici niets anders te doen dan te zeggen: o, het is een heel genuanceerde theorie, maar ik geloof er niet in want wat als dit alles een droom is?

Toch zie jij iets wat de anderen niet zien. De anderen zijn verstrikt in hun theorieën, en zien alle nuances als redenen om het geloof in de kennis op te geven. Jij hebt de luxe om het vanop een afstand te kunnen bekijken. Hoe kan het zijn dat gedetailleerdere kennis over de kennis, over het bewustzijn, over de taal, over ons waarnemingsapparaat enzoverder leidt tot deze vreemde apathische geestesgesteldheid? Meer informatie kan toch alleen leiden tot het ontsluieren van de mysteries! En zo ga je aan het werk. Je hebt iets goed te maken.

Je bent er snel mee klaar, want het is eigenlijk eenvoudig. Je hoeft alleen dat ene ding recht te zetten dat je zelf in de wereld hebt gebracht. Omdat je de dingen met wat meer overzicht kunt bekijken, valt het niet zo zwaar.

Kijk, zeg je in je allernieuwste meditatie, we hebben zoveel filosofische, psychologische en wetenschappelijke onderzoeksresultaten over onze kennis. Die zijn goed gefundeerd en voor zover ze goed gefundeerd zijn wil ik er niet aan tornen. Binnen het kader dat door deze informatie gevormd wordt is het mogelijk een bevredigende uitleg over de kennis te geven, wellicht zelfs meer dan een uitleg. Alleen zijn deze verklaringen niet immuun voor het argument van de droom. Maar laten we het eens van de andere kant bekijken. Dit kader is gevormd door onderzoek naar de kennis. Dit onderzoek is ontstaan door te kijken naar onze kennis, steeds gedetailleerder en gedetailleerder. Het is een articulatie van wat we kunnen observeren aan onze kennis, ons bewustzijn, onze taal, ons gedrag, onze cultuur, onze logica enzoverder. Het kader zegt alles wat we weten over onze kennis en kan in principe niet in tegenspraak zijn met onze kennis. Zegt het echter iets over onze dromen? Nee, het is gebaseerd op ons wakkerzijn. Binnen het genuanceerde kader kunnen we zelfs niet weten of we dromen. We kunnen niet eens weten wat voor een ding een droom is. Het is een woord zonder betekenis. De droom is een laatste onkritisch aangenomen element. Laten we dus ophouden het onkritisch aan te nemen!

Ziedaar de ware gedaante van het droomargument. In zijn ware gedaante betekent het niet meer dan dat: veronderstel een scenario dat geen enkele plausibiliteit heeft en geen enkel logisch verband met de werkelijkheid, hieruit volgt dat onze kennis fout is. Het droomargument beantwoordt is niet plausibel en heeft geen logisch verband met de werkelijkheid. Dus het droomargument hoort naast de miljoenen andere implausibele en onlogische scenario’s die in principe denkbaar zijn. De vergissing is te denken dat het een speciale plaats zou hebben.

——-

Het is een punt dat ik in mijn thesis heb willen maken, maar niet zo duidelijk gevat had. Maar het is toch waar, je hebt allerlei soorten eliminativisme, ik geloof dat zelfs kaalheidseliminativisme een legitieme filosofische positie is. Waarom zou je dan geen dromeneliminativist kunnen zijn?

Alleszins hoorde er in mijn thesis ook nog het andere punt bij: je kan ook buiten het kader filosoferen, dat is gewoon een keuze die je kan maken. Dan kan je de droom wel serieus nemen, sterker, dan moet je de droom serieus nemen, en dat leidt er vervolgens toe dat het scepticisme wel een zinvolle positie wordt, waar je filosofisch gezien iets van kan leren.